In de herinnering aan 'Indië' spelen de Indonesische doden nog steeds amper een rol

Het monument ‘De Deadenwacht’ in het Rengerspark in Leeuwarden eert de Friese militairen die omkwamen tijdens oorlogen in Indonesië en Nieuw-Guinea. De discussie wie en hoe moet worden herdacht, is daarmee echter niet verstomd.

Het Indiëmonument 'De Deadenwacht' in het Rengerspark te Leeuwarden.

Het Indiëmonument 'De Deadenwacht' in het Rengerspark te Leeuwarden. Foto: JACOB VAN ESSEN

In het Rengerspark te Leeuwarden staat het Indiëmonument ‘De Deadenwacht’. Het bestaat uit een standbeeld van een anonieme soldaat met opgestroopte mouwen en een geweer. Achter hem staan drie marmeren platen met 168 namen van Friese militairen die omkwamen tijdens de rekolonisatieoorlog in Zuidoost-Azië, namelijk Indonesië (1947–1949) en Nieuw-Guinea (1962).

Na eeuwen van bezetting door de Nederlandse koloniale macht, die in maart 1942 het veld had moeten ruimen voor Japanse militairen, werd in augustus 1945 de onafhankelijke staat Indonesië uitgeroepen. Ondanks de eerdere belofte van onafhankelijkheid na de Tweede Wereldoorlog, startte het Nederlandse leger in juli 1947 een offensief: de zogenoemde politionele acties.

Na een gewelddadige strijd werd Nederland in 1949 van internationale zijde gedwongen de soevereiniteit van haar voormalige kolonie over te dragen aan de regering van de Republiek Indonesië. De strijd tussen Nederland en Indonesië om Nieuw-Guinea volgde aan het begin van de jaren zestig.

Nadien was er in Nederland weinig aandacht voor deze gewelddadige gebeurtenissen, totdat de oud-Indiëveteraan Joop Hueting in de televisierubriek Achter het Nieuws in 1969 een boekje opendeed over de wreedheden die Nederlandse troepen in Indonesië hadden begaan. Hij doorbrak daarmee het heersende beeld dat ‘onze jongens’ overzee alleen maar vrede en veiligheid hadden gebracht in een kolonie waar de ‘primitieve’ bevolking elkaar anders zou uitmoorden.

Excuses

Heftige reacties waren het gevolg: veelal van Nederlanders die boos waren, diep gegriefd of verontwaardigd, maar ook van oud-veteranen die Huetings verhaal bevestigden. Zij reageerden met verhalen over de verkrachting van jonge meisjes, het leegroven van huizen, en het platbranden van kampongs als represaillemaatregel. Het duurde tot in de 21e eeuw voordat de Nederlandse regering haar verantwoordelijkheid voor de gepleegde oorlogsmisdaden erkende. Bij monde van koning Willem-Alexander bood zij in 2020 haar excuses aan de Indonesische bevolking aan.

Jaren eerder had de regering haar excuses al aangeboden aan de Indiëveteranen. Hun positie – als dader en slachtoffer – was en is gecompliceerd, zoals na iedere verloren oorlog. De beleving van de mislukte rekolonisatieoorlog verschilde sterk tussen bijvoorbeeld vrijwilligers, dienstplichtigen en beroepssoldaten van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Maar allen ervoeren na hun terugkeer gebrek aan interesse voor hun ervaringen, waar pas decennia later meer ruimte voor ontstond. Die interesse weerspiegelt zich ook in het Friese Indiëmonument dat in september 1993 werd onthuld.

Daags na de onthulling bepleitte journalist Kerst Huisman een aanvullend monument voor de dienstweigeraars, die de druk weerstonden om aan deze oorlog deel te nemen en daarvoor in het gevang terecht waren gekomen of hadden moeten onderduiken. Dat is niet de enige groep die hier ontbreekt. De circa 100.000 Indonesische doden spelen nog steeds amper een rol in de Nederlandse herinneringscultuur.



‘Indië’ in de Friese letteren

Al vrij vroeg, nog vier jaar vóór Indiëveteraan Joop Hueting op tv sprak over het gewelddadige Nederlandse optreden tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, verscheen er een Friestalige roman over de bedenkelijke Nederlandse rol in die strijd.

Hwat west hat (1965) van Riemer Riemersma was het eerste Friestalige boek over die kwestie. Riemersma (1925-1980) was zelf infanterist in Indonesië geweest en verwerkte later zijn ervaringen in dit boek dat het midden houdt tussen verslag en fictie.

Hij zet aan het begin van de roman meteen de toon door het Nederlandse optreden in ‘Indië’ te vergelijken met de Duitse bezetting van Nederland: ‘En sjoch, hja dy’t ûnderdrukt west hiene gyngen út om to ûnderdrukken en de bifrijden makken har op om to forhûddûkjen en de forlosten teagen út om to binen.’

Over misstanden lezen we echter weinig. Riemersma zei later dat hij de ergste situaties die hij had meegemaakt, wegliet, om te voorkomen dat de schok bij lezers te hard zou aankomen. ,,Ik ha it allegear safolle mooglik fersêfte”, zei hij in de Drachtster Courant (31 januari 1969). Achteraf had hij daar spijt van.

Hwat west hat maakte eigenlijk niets los. Riemersma wilde het gereformeerde milieu waar hij uit voortkwam en dat de ‘politionele acties’ volop had gesteund, met zijn boek wakker schudden. Maar in die kringen werd de roman amper acht geslagen, terwijl het door critici in literair opzicht als te gebrekkig werd beschouwd.

De verwerking van het Friese Indiëverleden kwam in een stroomversnelling door de mondelinge geschiedenissen die schrijver Hylke Speerstra optekende in Op klompen troch de dessa (2014), waarin veteranen veelal kritisch terugblikken op de militaire opdracht die zij kregen van de Nederlandse regering.

Barbara Henkes is historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen en auteur van het onlangs verschenen boek Sporen van het slavernijverleden in Fryslân. RuG-student Pauline Buitendijk verleende medewerking aan het artikel. Dit was het laatste artikel in een serie waarin het Friesch Dagblad wekelijks aandacht besteedde aan kolonialisme en slavernij in het Friese verleden en wat daar vandaag nog van terug te zien is.