Arts Jacobus van der Steege (1746-1812) uit Leeuwarden werd miljonair op Java. Ondertussen hielden slaafgemaakten zijn huis op orde.

Leeuwarder chirurgijn Jacobus van der Steege wist zich in Batavia op te werken tot lijfarts van de gouverneur-generaal. Thuis hielden slaafgemaakten het huishouden draaiende. Hij keerde terug naar Nederland met een miljoenenkapitaal.

De Tijgersgracht in Batavia. Hier woonde gouverneur-generaal Van Riemsdijk met tweehonderd slaafgemaakten. Uit de Atlas Van der Hagen, 1682.

De Tijgersgracht in Batavia. Hier woonde gouverneur-generaal Van Riemsdijk met tweehonderd slaafgemaakten. Uit de Atlas Van der Hagen, 1682. Afbeelding: Wikimedia commons

Op de hoek van de Slotmakersstraat en Speelmansstraat staat het geboortehuis van Jacobus van der Steege (1746-1812). Daar bestierde zijn moeder een uitdragerij, ofwel een winkel in tweedehands huisraad.

Zijn vader, Yde van der Steege, was advocaat bij het gerecht in Leeuwarden, maar vanwege ‘onbetamelijk’ gedrag werd hij enkele malen geschorst en later nog eens vastgezet in het Blokhuis. Jacobus studeerde geneeskunde en voltooide zijn studie met een promotie bij Petrus Camper aan de Universiteit van Groningen.

Wopke Eekhoff, de stadsarchivaris van Leeuwarden, beschrijft hoe Jacobus kort na zijn promotie acute medische zorg verleende aan de zoon van de Leeuwarder raadsheer Quiryn de Blau nadat die getroffen werd door een fataal ongeluk. Toen Quiryn de Blau vernam dat Van der Steege zijn fortuin in Nederlands Oost-Indië wilde gaan zoeken, schreef hij lovende aanbevelingsbrieven voor de gouverneur-generaal en andere bekenden. Bovendien hielpen Camper en De Blau hem aan werk als scheepschirurgijn, waardoor hij met zijn vrouw in 1773 kosteloos naar Java kon vertrekken en ook nog eens goed betaald werd.

Carrière

Eenmaal in Batavia maakte Van der Steege snel carrière. Hij werd benoemd tot chirurgijn in het Compagnies Hospitaal en onderhield daarnaast een uitgebreide praktijk omdat hij – volgens zijn vriend Jacobus Martinus Baljée – als een van de beste geneesheren bekendstond. Zijn goede naam werd nog versterkt door zijn pleidooi voor de inentingen van kinderen in Batavia. Maar het meeste aanzien viel hem ten deel nadat hij de vrouw van de sultan van Bantam van een ernstige aandoening had verlost. Uiteindelijk werd hij tot lijfarts van de gouverneur-generaal benoemd.

Van der Steeges huishouding steunde inmiddels in belangrijke mate op het werk van slaafgemaakten. Zij maakten vanaf het moment dat Nederlanders Java bezetten en zich in Batavia vestigden steeds meer een vanzelfsprekend deel uit van de koloniale samenleving.

Slavenhandel

Voor zover zij geen krijgsgevangenen waren, kwamen zij aanvankelijk uit Bengalen, Arakan, Malabar en vooral de kust van Cormandel – grofweg de kustgebieden van het huidige Bangladesh, Myanmar en India – waar oorlog, zeeroof en hongersnood de slavenhandel bevorderden; later zouden vooral mensen binnen de Indonesische archipel en met name uit Bali en Zuid-Celebes (het huidige Sulawesi) tot slaaf gemaakt worden.

Tijdens het bewind van gouverneur-generaal Van der Parra (1761-1775), toen het echtpaar Ter Steege in Batavia arriveerde, werden alleen al met inlandse schepen zo’n vierduizend slaafgemaakten aangevoerd. Over de huishouding van zijn opvolger G.G. Jeremias van Riemsdijk is bekend dat in zijn woning aan de Tijgersgracht in Batavia tweehonderd slaafgemaakte mannen, vrouwen en kinderen dienstdeden.

Zij vertegenwoordigden een belangrijk kapitaal. In een boedel van 1782 werden de aanwezige slaven getaxeerd op 33.000 rijksdaalders. De sterfte onder dit kostbare personeel was buitengewoon hoog, ook omdat het was gehuisvest in kleine ruimtes zonder luchtverversing.

Uit de slavenregisters uit de Engelse tijd (1811-1816) blijkt dat zeker driekwart van hen niet in Batavia was geboren maar was ‘ingevoerd’ om hun aantal op peil te houden. Het zou tot 1860 duren voordat de laatste slaafgemaakten vrij werden, drie jaar voor de opheffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën in ‘de West’.

Rinoceros

Te midden van de koloniale pracht en praal vergat Van der Steege zijn leermeester Petrus Camper niet: hij stuurde de hoogleraar ‘zeer belangrijke bijzonderheden uit het Oostersche dierenrijk, zoals een rinoceros, een aap en een krokodil voor Campers Museum van Natuurlijke Historie.

Na een zestienjarig verblijf in Nederlands Indië werd Van der Steeges kapitaal bij terugkeer In Nederland op zo’n vijf à zes miljoen guldens geschat (met een waarde van zo’n 46 tot ruim 55 miljoen euro anno nu), nog afgezien van de status die het verblijf hem opleverde. Van der Steege overleed op 66-jarige leeftijd aan ‘eene zenuw-zinking koorts’ op zijn buitenverblijf Stadwijk aan de Amstel.


Barbara Henkes is historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen en auteur van het onlangs verschenen boek Sporen van het slavernijverleden in Fryslân. In een serie artikelen besteedt het Friesch Dagblad wekelijks aandacht aan kolonialisme en slavernij in het Friese verleden en wat daar vandaag nog van terug te zien is.