Mestinjectie schaadt worm en weidevogel

Op weilanden waar drijfmest in de bodem wordt geïnjecteerd, zijn minder wormen dan op percelen waar ruige stalmest is opgebracht. Dat heeft direct effect op de voedselvoorziening voor weidevogels, schrijft onderzoeker Jeroen Onrust van de Rijksuniversiteit Groningen, op basis van eigen onderzoek, in het wetenschappelijk tijdschrift Journal of Applied Ecology.

Melkveehouder René Hooghiemster in Akkrum laat ‘s nachts de mest uitrijden op zijn land.

Melkveehouder René Hooghiemster in Akkrum laat ‘s nachts de mest uitrijden op zijn land. Foto: Alex J. de Haan

Door het opensnijden van de grasmat tijdens het injecteren van drijfmest, droogt de toplaag zo erg uit dat de wormen daar wegblijven, constateerde Onrust. ,,Wormen hebben te lijden van het directe contact met de vloeibare mest in de grond én de drogere toplaag. Ze komen dan niet meer bovenin.”

In Nederlandse weilanden kruipen twee typen regenwormen: de grijze Aporrectodea caliginosa en de rode Lumbricus rubellus. De grijze wormen leven in de grond van de bacteriën die op gronddeeltjes zitten. De rode soort pendelt, volgens de onderzoekers die mee hebben gewerkt aan het rapport, tussen de diepere bodem en het oppervlak. Daar haalt de rode worm plantenresten op om die dieper in de bodem te verteren.

Grondwaterpeil geen oplossing

Wanneer de bovengrond intact blijft – en dus niet wordt opengesneden bij het injecteren – is die vochtiger en zijn de wormen beter door weidevogels uit die bovenlaag te halen. Verhoging van de grondwaterstand alleen helpt volgens Onrust niet genoeg om voldoende rode wormen bovenin te houden. ,,Als de bodem door onder meer mestinjectie al is verstoord, droogt de toplaag in het voorjaar zo snel uit dat een hoger grondwaterpeil niet meer helpt”, vult hoogleraar Theunis Piersma aan.

Drijfmest bovengronds uitrijden, zoals voorheen werd gedaan, is in verband met de ammoniakuitstoot geen optie

Volgens Onrust moet de Nederlandse landbouw en de politiek een verandering in gang zetten bij bemesting van grasland. ,,Drijfmest bovengronds uitrijden, zoals voorheen werd gedaan, is in verband met de ammoniakuitstoot geen optie. Maar we moeten wel af van het injecteren van drijfmest in de bodem. Nu wordt 90 tot 95 procent op deze wijze aangewend. Daar moeten we van af, willen we de wormen- en weidevogelstand verbeteren.”

Onrust pleit er dan ook voor dat mest en urine in de stallen veel meer afzonderlijk worden opgevangen. Bij de bouw van nieuwe stallen wordt daar al meer rekening mee gehouden en de ontstane dikke en dunne fractie heeft bij het uitrijden volgens hem een minder negatieve impact op de bodem.

Andere bemestingsvormen en bijbehorende gevolgen worden echter amper wetenschappelijk onderzocht. We hopen dat dit onderzoek een andere manier van denken oplevert

,,Er zijn al wel veel kleinere projecten opgezet om te kijken naar de invloed van andere vormen van bemesting, maar tot nu toe is dat helaas nog niet veel op wetenschappelijke basis”, zegt de onderzoeker. ,,Met de huidige vormen van bemesting kijken wij naar de gevolgen voor de wormenstand en daarmee de kansen voor de weidevogels. In Wageningen wordt er al wel onderzoek verricht naar de gevolgen van de huidige manier van bemesten op het gehele bodemleven. Andere bemestingsvormen en bijbehorende gevolgen worden echter amper wetenschappelijk onderzocht. We hopen dat dit onderzoek een andere manier van denken oplevert.”

Mest volop uitgereden

Boeren kunnen sinds een maand weer mest uitrijden over hun land. In de winterperiode is dit niet toegestaan om uitspoeling van meststoffen te voorkomen. Met het bemesten van het land krijgen grassen en andere gewassen weer nieuwe nutriënten toegediend waar ze op kunnen groeien, het begin van de kringloop.

Nieuws

menu