Met een kitspuit komt het zeegras weer tot leven op het Wad: in drie jaar tijd groeien er bij Griend al zo'n 200.000 plantjes

Na jaren van experimenteren weten onderzoekers nu hoe zeegras goed kan gedijen op het wad. Verspreid over 275 hectare ten oosten van Griend groeien er nu zo’n 200.000 plantjes. Dat is goed nieuws voor de biodiversiteit én een kans voor het opslaan van CO2, zegt zeegrasexpert Laura Govers.

Laura Govers met zeegras in haar hand.

Laura Govers met zeegras in haar hand.

Het is vanaf de zuidkant van Griend een paar kilometer wadlopen om bij de juiste zandplaat te komen, maar Laura Govers kent het gebied als haar broekzak. Door de open vlakte leidt de mariene ecoloog van de Rijksuniversiteit Groningen en het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) een select gezelschap van betrokken natuurbeschermers en journalisten naar het eerste grote zeegrasveld dat tot leven is gebracht in de Waddenzee.

In de verte ligt de Harlinger klipper Ambulant voor anker, waarmee Govers en haar onderzoeksteam een paar keer per jaar op de Grienderwaard verblijven. Hoe dichter we in de buurt komen van een proefvlak waar vorig jaar zaad is geplant, hoe meer plukjes zeegras her en der opduiken in het natte zand. Dat is volgens Govers het grote succes van het zeegrasherstelproject dat hier onder auspiciën van Natuurmonumenten in 2018 begon: „Het zeegras breidt zich nu ook buiten onze ingezaaide proefvlakken uit over een groot oppervlak.”

In drie jaar tijd heeft het zeegras zich aan de oostkant van Griend uitgebreid van 30 hectare naar circa 275 hectare. Dat is weliswaar niet één groot groen grasveld, maar toch nog zo’n 200.000 losse planten die zich verspreid hebben over de wadplaat. „We zien dit laatste jaar dat het zeegras niet alleen verder verspreid is geraakt, maar ook dat de dichtheid is toegenomen”, zegt Govers. „En die dichte begroeiing heb je nodig om de biodiversiteit en een rijk voedselweb te stimuleren.”

Daar is voorlopig alleen sprake van op de ingezaaide proefvlakken, waar het zeegras dicht op elkaar groeit en soms omgeven is door rode algen. „Die algen worden opgegeten door wadslakjes. Die komen hier massaal op af”, zegt promovendus Max Gräfnings van de Rijksuniversiteit Groningen, die voor zijn onderzoek meet hoe zeegrasherstel het wadleven verrijkt. Af en toe schiet er een garnaaltje weg tussen de planten. „Die vinden hier bescherming, want op het open wad zijn ze een makkelijke prooi voor vogels.” Gräfnings schat dat in het dichte zeegras anderhalf keer zoveel kleine grazende beestjes zitten dan daarbuiten.

Matrasvulling

Zeegras, dat eigenlijk geen gras is maar een waterplant, groeide van oudsher vooral in het westelijke deel van de Waddenzee. Begin vorige eeuw werd het zeegras bij Griend gemaaid door Terschellingers, die het voor een paar centen verkochten. Het materiaal werd gebruikt in de dijkenbouw, als matrasvulling en plafondisolatie. Maar het zeegras verdween in de jaren dertig door de komst van de Afsluitdijk en de uitbraak van de zogeheten wierziekte.

Het herstellen van zeegrasvelden speelt een grote rol in de ecologische beheerplannen voor het Waddengebied. De aangroei van zeegras moet uiteindelijk ook het leefgebied aantrekkelijker maken voor de rotgans en de smient. Sinds de jaren tachtig experimenteren onderzoekers en natuurbeschermers met het aanplanten van zeegras in het natuurgebied, maar dat is lange tijd zonder succes gebleven. Niet elke plek in de Waddenzee is ervoor geschikt en niet elke methode helpt even goed.

De kennis over zeegrasherstel staat nog in de kinderschoenen, vertelt kustecoloog Tjisse van der Heide van de Rijksuniversiteit Groningen en het NIOZ, die ook betrokken is bij het project. „Op een akker of in de bosbouw moet je bijvoorbeeld plantjes vrij ver uit elkaar zetten om te zorgen dat ze genoeg groeien. Maar hier ontdekten we dat de spelregels juist andersom zijn. De opbrengst is groter als je planten dicht bij elkaar zaait. Dat is typisch aan het mariene ecosysteem, mosselen zitten ook altijd aan elkaar vast in een bank.”

Er zijn proeven gedaan met zeegras op het Balgzand tussen Den Helder en Wieringen, op het Uithuizerwad in Groningen, bij Schiermonnikoog en Vlieland. Govers: „Volgens statistische modellen van Rijkswaterstaat waren die plekken veel kansrijker, maar daar ontdekten we dat plekken waar veel wadpieren of zeeduizendpoten leven niet geschikt zijn. Zaadjes verdwijnen dan te diep in de bodem of worden opgegeten.”

Ruppia

De wadplaat bij Griend heeft Govers min of meer bij toeval gekozen. Het viel Govers op dat ruppia, oftewel smientgras, hier ook goed gedijt, en zo kwam ze op het idee om er met zeegras te experimenteren. Dat bleek een schot in de roos. Het zand dat in de afgelopen jaren werd opgespoten om Griend te behouden, heeft ten oosten van het onbewoonde eiland een stabiele, vlakke wadplaat doen ontstaan waar het zeegras wel wil groeien.

Tegelijkertijd vond Govers de beste methode uit om het zeegras te zaaien – met een kitspuit. „De zaadjes die we van het Duitse wad ophalen, vermengen we met wadbodem en injecteren we met een kitspuit op drie à vier centimeter diepte in de bodem.” De kitspuitmethode is wel arbeidsintensief: per hectare zijn er zo’n 250 manuren mee gemoeid.

Onderweg treffen we een meerjarige zeegrasplant aan. Een zeldzaamheid, want het is vooral eenjarig groot zeegras dat op het wad groeit. „We hebben ons in de afgelopen tien jaar op groot zeegras gericht”, zegt Govers. „Groot zeegras investeert vooral in zaadvorming. Het moet zoveel mogelijk zaad produceren om volgend jaar weer op te komen. Maar klein zeegras is even belangrijk. Dat is het type zeegras dat zorgt voor CO2-opslag in de bodem.” Volgens wetenschappelijke studies zou een ondergedoken zeegrasveld zelfs 35 keer zo efficiënt CO2 kunnen opslaan als een regenwoud, omdat het kleine zeegras koolstof in de bodem opslaat.

Het zal nog jaren duren voordat er op het wad groot en klein zeegras bij elkaar groeit, maar dat is wel het streven, zegt Van der Heide. „Op het Duitse wad zie je dat het een soort bultenlandschap vormt, waarbij in de laagtes het grote zeegras groeit en op de bulten het kleine zeegras. Dat is de ideale situatie.”

10.000 hectare

Volgend jaar wordt het beheer van de zeegrasvelden overgedragen van Natuurmonumenten aan Rijkswaterstaat. Die wordt verantwoordelijk voor het beleidsdoel van de overheid om in 2028 maar liefst 10.000 hectare zeegras in de Waddenzee te hebben gerealiseerd, dat voor twee derde uit klein zeegras en een derde uit groot zeegras moet bestaan.

„Tienduizend hectare is een ongenuanceerde doelstelling die volledig uit de lucht gegrepen is”, vindt Van der Heide. „Dat heeft een ambtenaar ooit bedacht, maar dat is op de korte termijn volstrekt onmogelijk. Dat weet Rijkswaterstaat zelf ook wel. Als we in 2028 tussen de 1000 en 2000 hectare hebben, dan mag je heel blij zijn. Dit is een project van de lange adem, daar heb je visie voor twintig of dertig jaar voor nodig.”

Er is op zijn minst nog een tweede plek in de Waddenzee nodig waar zeegras moet kunnen gedijen. Dat zou mogelijk het Balgzand of een plek in de buurt van Texel kunnen zijn, denkt Van der Heide. „We doen nu metingen in de monding van de oude Zuiderzee om te zien of de condities nog geschikt zijn om zeegras mogelijk te maken. Misschien is daar een gebied te vinden dat voldoende vlak is, nat blijft en beschut is. Dat zijn de drie aspecten die dit gebied bij Griend zo uniek maken.”