De natte zomer van 2021 pakte goed uit voor weidevogels: de grutto had een broedsucces van 70 procent

Dankzij de natte zomer heeft de grutto, na het historische slechte seizoen van 2020, dit jaar voldoende jongen gekregen om de populatie in de stand te houden. Ook de kievit, scholekster en tureluur deden het op de meeste plekken in Fryslân goed.

Dankzij drassig land door de natte zomer kon de grutto makkelijker voedsel vinden.

Dankzij drassig land door de natte zomer kon de grutto makkelijker voedsel vinden. Foto: HENK-BOOTSMA

Dat het beter gaat met de weidevogels blijkt uit het jaarbericht dat de weidevogelorganisaties onder leiding van de Bond Friese VogelWachten (BFVW), donderdag presenteerden. In totaal werden er 8215 gruttoparen geteld, 7,8 procent (zo’n 600) meer dan in 2020. In tegenstelling met dat jaar waren de zogeheten alarmtelrondes nu wel succesvol.

Niet alleen waren er veel grutto-ouders die alarm sloegen, ook zagen de tellers volop bijna-vliegvlugge kuikens. Het leidde tot een broedsucces van rond de 70 procent, voldoende om de populatie in stand te houden. In 2020 zat dat percentage onder de 40 procent.

Alleen voor de grutto zijn alarmtellingen gedaan omdat deze vogels vaak bij elkaar broeden. De andere weidevogels nestelen meer verspreid.

Plasdras

Volgens Inge van der Zee van de BFVW bewijst het broedsucces het belang van natte weides. Vormen normaal gesproken de plasdras stukken oases voor de vogels, nu was volgens haar heel Fryslân een plasdrasgebied ,,Wij insiders wisten wel het belang van een hoog waterpeil voor vogels maar nu kan heel Fryslân het weten.”

De kans dat na een volgende droge zomer de broedresultaten weer kelderen is volgens haar reëel. ,,Als het aan mij ligt gaan de waterpeilen omhoog. Maar we merken ook dat steeds meer boeren wat willen doen voor de weidevogels. Het aantal aanvragen voor plasdrasgebieden stijgt.”

Het broedseizoen begon, met kou in februari en veel sneeuw en hagel in maart, weinig belovend. Veel vroege kievitskuikens stierven. De natte zomer die volgde, waardoor boeren pas laat konden maaien en het op het zachte land makkelijk foerageren was voor de vogels, zorgde uiteindelijk toch voor een goed resultaat. De vele regen zorgde niet alleen voor veel en makkelijk te bereiken voedsel voor de vogels, het vormde ook een natuurlijke buffer tegen predatoren als de vos en marter.

Dissonant

Niet alleen voor de grutto was er goed nieuws. Ook de andere hoofdsoorten lieten in bijna alle telregio’s een plus zien. Zo nam in de regio Westergo (een deel van Súdwest-Fryslan en Waadhoeke) het aantal broedparen van kievit, grutto, scholekster en tureluur met meer dan 10 procent toe. Ook in de Waadrâne (de noordkant van Noardeast-Fryslân met de rest van Waadhoeke) was er voor de vier hoofdsoorten een toename.

De enige dissonant is de regio Noardlike Fryske Wâlden (Dantumadiel, Tytsjerksteradiel, Achtkarspelen en de rest van Noardeast-Fryslân). Daar daalden alle vier de hoofsoorten tussen de 1 en 10 procent. Naar de reden is het volgens Van der Zee gissen. ,,Het is daar zandgrond dus zakt het water sneller weg zodat daar het water geen natuurlijke buffer tegen predatoren vormde.”

Het hoeft volgens haar ook niet per se op slechte broedresultaten te wijzen. Een verklaring kan ook zijn dat tellers het te nat vonden om het veld vaak in te gaan of dat de vogels geen herleg nodig hadden dus aan één nest genoeg hadden.

Alarmtellingen

Het effect van dit goede broedjaar op de langjarige trend is nog niet bekend. Vanaf 1996 is die neergaand. Voor de kievit is de gemiddelde afname 2,8 procent, de grutto zit op 4 procent en de scholekster op min 4,2. De tureluur doet het met een afname van 1,5 procent het minst slecht. Van der Zee: ,,Misschien zit er nu een klein knikje in naar boven, maar dat is nog niet berekend.”

Gedeputeerde Douwe Hoogland was blij met het resultaat. ,,Rein is wat oars as wiet meitsje. Mar wy witte nei sa’n wiet jier wat wurket en wat net. Dêroer moatte wy mei elkoar yn petear.”

Steltkluten

Opvallend was het hoge aantal broedende Steltkluten. Deze komt als broedvogel vooral in Zuid-Europa voor, maar dit jaar werd er het recordaantal van 26 paren in Fryslân geteld. Volgens het jaarbericht is er wel een verband tussen extreme droogte in Zuid-Europa en veel broedparen in Nederland.