Natuur om de hoek: Nanninga’s Bos gaat van productie naar natuur

Tussen Allardsoog en Marum liggen de pingoruïne Bolmeer en het Nanninga’s Bos. Dat was vroeger een productiebos van naaldbomen, maar wordt nu langzaam gemengder gemaakt. En dat loont.

Een ontwortelde berk met op de achtergrond het vennetje in het midden van Nanninga’s bos. Het Groninger Landschap laat bomen in principe liggen, omdat ze ruimte bieden aan nieuw leven.

Een ontwortelde berk met op de achtergrond het vennetje in het midden van Nanninga’s bos. Het Groninger Landschap laat bomen in principe liggen, omdat ze ruimte bieden aan nieuw leven. Foto: Jan Ybema

Nog geen twee kilometer over de grens met Groningen ligt het Bolmeer, bij buurschap Heineburen. Langs het berkenlaantje dat ernaartoe voert, kun je je tegoed doen aan de rijpe bessen die in de doornige bramenstruiken groeien. Tsjirpende sprinkhanen springen voor je voeten weg.

Het Bolmeer is een zogenoemde pingoruïne, ontstaan na de laatste ijstijd (115.000 tot 10.000 jaar geleden). In de ijstijd ontstonden in Nederland hier en daar ijslenzen in de ondergrond. Door het uitzetten van water als het ijs wordt, werd de bodem omhoog gedrukt tot een heuvel, de zogeheten pingo. Toen het ijs smolt, bleef een krater achter. De kraters raakten dichtgegroeid met veen en waar dat veen is afgegraven, zijn ronde meertjes tevoorschijn gekomen zoals het Bolmeer.

Bolmeer

Net bij het Bolmeer aangekomen, is er een scherpe piep en meteen daarna scheert er een ijsvogel over het water. Al is de soort niet echt zeldzaam in Nederland, het is toch iedere keer een kleine sensatie om het felblauwe verenkleed van deze snelle visvanger te spotten. Hij moet zijn jachtgebied onder meer delen met een aantal aalscholvers. In de lucht boven het Bolmeer jagen kenmerkend kwebbelende boerenzwaluwen op vliegjes. Schrijvertjes krioelen over het wateroppervlak, waar pluizen van distels zich met de wind laten meedrijven.

Rondom het meer is een wandelpad aangelegd. Er groeit een vrij dicht bos, dat op de meeste plekken het zicht op het water ontneemt, maar hier en daar is er een doorkijkje. Halverwege ligt het karkas van een ree. ,,Die is van de winter doodgegaan. We leggen het in de bosjes, maar jonge vossen slepen het iedere keer weer het pad op”, vertelt boswachter René Oosterhuis van het Groninger Landschap, dat het Bolmeer in beheer heeft.

Natuur

Wie de anderhalve kilometer naar en rond het meer en terug heeft afgelegd, kan er nog best wat natuur bij hebben. Een paar honderd meter zuidelijker kun je dan terecht in Nanninga’s Bos. Het 27 hectares tellende terrein is in de negentiende eeuw aangelegd als onderdeel van een buitenverblijf. Later werd het een productiebos van houthandelaar Nanninga, waaraan het zijn naam dankt.

Door de natte ondergrond – het grondwater stond destijds meer dan twee meter hoger – was het naaldbos niet goed rendabel te maken. Sinds 1985 probeert het Groninger Landschap er een gemengder bos van te maken, met naald- én loofbomen.

Natuur om de hoek: het Waterloobos bij Marknesse

Het merkwaardige waterhuishoudkundige karakter van het bos komt doordat hier van 1951 tot 1996 het Waterloopkundig Laboratorium gevestigd was. Vele waterwerken zijn hier op schaal nagebouwd om onderzoek te doen naar hun effectiviteit en veiligheid. Zo ligt er een schaalmodel van de Maasvlakte in het Botlekgebied, waar getest is hoe koelwater voor energiecentrales aan- en afgevoerd kan worden.

Bij de ingang van het bos zie je links nog goed hoe het productiebos eruit heeft gezien: de fijnsparren zijn dicht bij elkaar geplant en daardoor rank en vrijwel kaal tot een heel eind richting de kruin, waar de takken zo dichtbegroeid zijn dat ze het zonlicht op de bodem wegnemen. Daardoor is er op wat varens na nauwelijks lage begroeiing. De bodem ligt er bezaaid met bruine naalden.

Vliegtuig

Augustus is niet echt de spannendste periode in een bos en dat van Nanninga vormt daarop geen uitzondering. Zangvogels houden zich gedeisd nu de paartijd geweest is en de jongen zijn uitgevlogen. Het is bijzonder stil tussen de bomen. In de verte is een landbouwvoertuig te horen en hoog in de lucht hoor je een vliegtuig overvliegen. Dit mechanische lawaai is nu precies waarvoor je niet naar het bos komt.

Maar dan is er toch nog het geroffel van een grote bonte specht. Een vink laat zich even zien en hoog in de boomtoppen vliegt een groep goudhaantjes piepend van fijnspar naar fijnspar. ,,Er zijn 26 paren, die broeden tweemaal. Dan kom je op zo’n driehonderd goudhaantjes in Nanninga’s bos”, rekent Oosterhuis voor.

Haast in het midden van het bos ligt een vennetje, waar onder andere heide, zonnedauw en veenbes groeien. Hier kun je goed zien hoe gemengd het bos al geworden is, met naald- en loofbomen die door elkaar groeien.

Kevertje

Hier en daar zijn halfopen plekken ontstaan door gevelde bomen die zijn blijven liggen. ,,Jaarlijks zagen we zo’n dertig tot veertig fijnsparren om, zodat opkomende eiken de ruimte krijgen. Een kevertje, de letterzetter, helpt ook een handje mee. De larven graven gangen tussen de bast en het hout van de fijnspar. Daardoor kan de boom geen voedingsstoffen meer opnemen en gaat ’ie dood.”

Als de bosuil het goed doet, is dat een signaal dat het met de rest van de keten ook goed gaat

Hoog in de lucht is er het schreiende gieren van rondcirkelende buizerds. Een spar die in zijn val door exemplaren in de buurt is opgevangen, kraakt vervaarlijk als een windvlaag hem harder in de takken van zijn buren duwt. De gesneuvelde bomen geven het bos lokaal weliswaar een wat desolate en rommelige indruk, maar in de dode stammen krioelt het van nieuw leven, van schimmels tot larven en rupsen.

De eiken die voor de sparren in de plaats komen, huisvesten een grote soortenrijkdom aan allerlei insecten. Dat komt de hele voedselketen ten goede, vertelt Oosterhuis. Hij is bijvoorbeeld blij met de komst van de boomklever, de eekhoorn, de eikenpage en de witsnuitlibel. ,,Geen superbijzondere soorten, maar ze komen vanuit de Drentse bossen naar hier en dat is een teken dat het bos erop vooruit gaat.”

Bosuilen

Oosterhuis werkt met zijn vader mee aan landelijk onderzoek naar het broedsucces van kool-, pimpelmees en bonte vliegenvanger. In het bos tref je hun nestkasten aan, met een cilindervormig traliewerkje voor de ingang, om ze te beschermen tegen de boommarter.

,,Vergeleken met andere bossen krijgen die vogels in Nanninga’s Bos gemiddeld meer jongen per jaar. Dat komt door de grote variatie in bomen en door het dode hout.” Het paartje bosuilen krijgt hier zelfs vier jongen per jaar. ,,Die staan aan de top van de voedselpyramide. Als de bosuil het goed doet, is dat een signaal dat het met de rest ook goed gaat.”

In de zomervakantie bezoekt het Friesch Dagblad wekelijks een natuurgebied net over de grens van Fryslân

Steenwijkerwold: een klein stukje Limburg in het Noorden

In de eerste millennia leek het gebied vermoedelijk op een toendra, maar toen het klimaat milder werd, kwam er meer vegetatie. De bomen die er nu staan, zijn vooral aangeplant door mensen. In het noordelijkste stuk staat vooral donker bos, zoals lariks en sparren.

Nieuws

menu