Nederland doet veel aan natuurherstel, wat is er twintig jaar later nog van overgebleven?

In Nederland wordt al decennia op grote schaal aan natuurherstel gedaan. Maar wat gebeurt er op de langere termijn? Kan de natuur het dan zelf, of blijft onderhoud nodig? Staatsbosbeheer deed onderzoek.

Het Bargerveen.

Het Bargerveen. Foto: Dominicus Johannes Bergsma

Eind jaren tachtig groeide het besef in Nederland dat verzuring en verdroging hun tol eisten van de natuur. Daarom werd in 1989 door het ministerie van LNV een regeling ingesteld die voorzag in herstel van bossen en natuurterreinen. Een regeling die in de jaren negentig het Overlevingsplan Bos en Natuur (OBN) ging heten.

De maatregelen in dit plan betroffen maaien, plaggen (waarbij de bovenste laag van de bodem werd verwijderd), het laten begrazen van een gebied en het verwijderen van bomen en struikgewas. Ook het opvullen van ontwaterende sloten was een optie.

Tussen 1995 en 2003 werd wel gekeken wat die maatregelen voor effect sorteerden. Die onderzoeken konden echter nog niet vaststellen of het aanpassen van de kwetsbare natuurgebieden ook op langere termijn soelaas zou bieden.

Drentse voorbeelden

Voor Staatsbosbeheer was dit aanleiding om nu eens bij een aantal natuurgebieden te kijken wat er op de langere termijn, dus na twintig à dertig jaar, aan effecten te zien is, schrijven de Zweedse onderzoeker Erika Nyström en Arnout-Jan Rossenaar van Staatsbosbeheer op Nature Today.

In 2019 zijn in totaal 54 Drentse gebieden bestudeerd waar vennen, heide en natte graslanden voorkomen. De onderzoekers gingen na welke veranderingen er optraden in de begroeiing, en keken daarbij ook naar de vochtigheid, stikstof en zuurgraad.

Een van de gebieden was een natte heidelocatie in het Bargerveen, tegen de Duitse grens aan. Daar werd destijds de toplaag verwijderd om er een vlakke bodem te maken. De vegetatie is in die nieuwe situatie maar langzaam tot ontwikkeling gekomen. Maar toch is er een bedreigde soort als lavendelheide gaan groeien, net als kleine veenbes, kleine zonnedauw, hoogveenveenmos en wrattig veenmos. De plek wordt met rust gelaten, zodat de vegetatie zich verder kan ontwikkelen.

Pioniervegetatie

In het zure ven de Gouden Ploeg in het Drents-Friese Wold is van een klein deel de toplaag verwijderd met als doel een pioniervegetatie van moeraswolfsklauw en bruine snavelbies te ontwikkelen. Moeraswolfsklauw is een belangrijke pionier- en sleutelsoort. En inderdaad dook die als eerste op in de nieuwe situatie. Sinds 2018 is de soort echter weer verdwenen.

De sleutelsoorten bruine snavelbies, klokjesgentiaan en ronde zonnedauw zijn er nog wel steeds. Het verdwijnen van moeraswolfsklauw wijst op een overgang van een pioniervegetatie naar een meer gesloten heidevegetatie.

Staatsbosbeheer denkt dat met extra maaien en begrazing de moeraswolfsklauw terug zou kunnen keren. Het zure ven wordt gedomineerd door pijpenstrootje, wat duidt op opeenhoping van stikstof. Maaien en begrazen kan daartegen helpen, stellen de onderzoekers. Ook opmerkelijk is het voorkomen van een groot en een klein exemplaar van trosbosbes. Dat is een exoot, en dus zou die beter verwijderd kunnen worden.

Een ander voorbeeld is een nat grasland in het Bargerveen met een veenachtig karakter. Het terrein was ooit in gebruik als landbouwgrond. De sloten zijn hier verwijderd en het wordt nu jaarlijks gemaaid. Lavendelhei, ronde zonnedauw en witte snavelbies zijn hier helaas verdwenen. Stijve ogentroost en rietorchis zijn verschenen. Ook hier is maaien nodig om een overdaad aan gras en nutriënten te beperken. Pijpenstrootje en pitrus zijn ook in dit gebied in grote getale aanwezig.

Herstel blijft nodig

Uit het onderzoek bleek dat de herstelmaatregelen uit de jaren negentig bij de heide een significant hoger succes had dan in de andere soorten omgeving. Bovendien bleek dat bij de natte heide over langere tijd het herstelsucces groter was. De onderzoekers denken wel dat ook dit terrein baat heeft bij wat extra maatregelen.

Bij de andere soorten natuurterrein waren de herstelresultaten beduidend minder. Om de natuurwaarden hier te verbeteren, is ingrijpen nodig, waarschuwen zij. Staatsbosbeheer concludeert dat het interessant is om op deze manier de resultaten van natuurherstelprojecten na enige tijd opnieuw te bepalen.

Een constante bij de 54 onderzochte gebieden lijkt te zijn dat het effect van de OBN-maatregelen na verloop van tijd afneemt. Dat wijst erop dat in een deel van die terreinen het herhalen van maatregelen als plaggen, maaien en begrazen nodig lijkt.