Dit artikel is vandaag gratis

Onderduikertje Katja Pront vond de foto van haar moeder bij de snackbar: 'Mijn ouders hebben nooit geweten wat er met mij is gebeurd'

Katja Pront. Foto: eigen collectie

De Joodse Katja (nu tachtig jaar) zat in de Tweede Wereldoorlog ondergedoken in Huizum. Het tweejarige meisje vond er een veilige plek in het gezin van Gerard en Grietje Molewijk. Haar levensverhaal spreekt tot de verbeelding. ,,Niemand wist wie ik was. Pas na de oorlog bleek dat ik De Jong heette.’’

De frèle Katja Pront was in 2020 te zien op een tentoonstelling over onderduikkinderen in Tresoar; er hing een levensgroot portret van haar op de muur van De Brasserie Maria Louise in Leeuwarden en donderdag was ze aanwezig bij de onthulling van het poëzietableau voor de Joodse onderduikkinderen op het NS-station in Leeuwarden.

Katja vertelt aan de telefoon openhartig over de dramatische start van haar leven in december 1941 in Amsterdam. ,,Toen mijn ouders de oproep kregen zich te melden bij de Hollandsche Schouwburg, brachten ze mij naar niet-Joodse buren.”

Dat was in juni 1943. ,,Mijn ouders hebben nooit geweten wat er daarna met mij is gebeurd. Op 28 juni kwamen ze aan in Westerbork. Een dag later werden ze getransporteerd naar Sobibor.’’ Bij aankomst werden Levie Izaak de Jong en Roza de Jong-van Tijn onmiddellijk vergast.

Crèche

Katja blijft niet lang bij de buren. ,,Na een tijdje heeft de buurman mij naar de crèche tegenover de Hollandse Schouwburg moeten brengen, omdat zijn vrouw van de trap was gevallen. Wanneer ik daar precies ben gekomen is niet helemaal duidelijk. Dat hebben we niet kunnen achterhalen.”

Ze blijft maar kort in de crèche. Door de Amsterdamse Studenten Groep onder leiding van Piet Meerburg wordt ze al snel weggesmokkeld. Op 5 december 1943 komt ze aan in Fryslân. De tweejarige Katja wordt opgevangen door de familie Molewijk aan de Sportlaan in Huizum. Gerard, zijn vrouw Grietje en hun twee zonen Sipke (19) en Aan (14) ontfermen zich over hun nieuwe kleine dochter en zusje. Katja wordt Kitty - ,,zo noemde ik mijzelf” - en de oudste zoon bedenkt haar achternaam: De Jongh. ,,Heel bijzonder was dat. Pas na de oorlog kwamen we erachter dat ik echt De Jong heette. Niemand wist wie ik was.”

Naamloos peutertje

Ze is als naamloos peutertje in Huizum afgeleverd. Haar pleegouders weten niet eens wanneer ze jarig is. Dat levert ook een ongemakkelijke situatie op vlak na de bevrijding, legt Pront uit. ,,Na de oorlog wilden mijn pleegouders even wachten met het vieren van mijn verjaardag, totdat ze zeker wisten wanneer ik echt jarig was. Tot dat moment vierden we mijn verjaardag maar in mei, en toen ineens niet meer. Dat voelde helemaal niet leuk.”

Om achter de identiteit van hun pleegkind te komen laten Gerard en Grietje een foto ophangen bij de Commissie voor Oorlogspleegkinderen (OPK) in Amsterdam. De OPK verzamelt informatie over Joodse kinderen die bij niet-Joodse ouders worden opgevangen. De Amsterdamse buurman herkent de kleine Katja en wil haar graag weer terug. ,,Dat was ook afgesproken. Dat ik daar zou blijven als er iets met mijn ouders zou gebeuren.”

Rechtszaak

Maar Gerard en Grietje willen het meisje liever houden. De voormalige buurman start een rechtszaak om de voogdij over Katja te krijgen. Een lastige tijd, waarin de gemoederen hoog oplopen, vertelt Pront. Een zus van haar oma steunt de familie in Fryslân. ,,Ze waren een degelijke familie, mijn pleegvader was notarisklerk.”

Haar Amsterdamse buren delven uiteindelijk het onderspit en Katja mag in Huizum blijven. Na de bevrijding hoort ze op straat in Huizum van wildvreemden dat ze Joods is en geen ouders meer heeft. ,,Toen ben ik naar mijn ouders gegaan. Zij hebben wel verteld hoe het zat, maar daar snapte ik op die leeftijd nog niet zoveel van. Tot mijn zestiende jaar ben ik bij de familie Molewijk gebleven. Toen mijn pleegmoeder stierf, ben ik verhuisd naar Amsterdam en kwam ik terecht in een kindertehuis aan de Prins Hendriklaan.’’

Pleegfamilie

Het contact met haar broers - vooral met Sipke kan ze goed opschieten - is in de jaren die volgen soms wat summier. Wanneer haar oudste broer met zijn vrouw ook naar Amsterdam verhuist, wordt het contact veel sterker. Met de kinderen van Aan en Sipke is de band eveneens hecht. De pleegfamilie hoort er helemaal bij, vertelt ze. ,,Ook voor mijn kinderen was het altijd heel vanzelfsprekend.”

,,Omdat er helemaal geen foto’s van mijn ouders, noch van andere familieleden, bleken te zijn, heb ik lang getwijfeld of ik wel echt diegene was voor wie ik doorging”, vervolgt Pront. ,,Toen ik jaren later in het bezit kwam van het trouwboekje van mijn ouders, werd ik al iets zekerder van mijn identiteit en toen enkele jaren later een schoolfoto van mijn moeder opdook, was ik helemaal overtuigd. Ik leek namelijk erg veel op mijn moeder.”

Snackbar

Dat de realiteit soms de fantasie te boven gaat, blijkt wel als Katja vertelt hoe ze in 1973 de foto van haar moeder heeft opgespoord. Nadat ze de dertig is gepasseerd en met echtgenoot Lex Pront een gezinnetje heeft gesticht, wil ze op zoek naar tastbare herinneringen aan haar ouders. ,,Zo gezegd zo gedaan. We begonnen in Naaldwijk, de geboorteplaats van mijn moeder.”

Omdat de kinderen graag een patatje willen, is de eerste stop een bezoek aan de plaatselijke snackbar. ,,Achter de toonbank stond een man, ik schatte hem net zo oud als mijn moeder zou zijn geweest. Ik vroeg hem of hij in de oorlog ook in Naaldwijk had gewoond en of hij de familie Van Tijn had gekend. Hij vertelde dat hij ze inderdaad kende en zelfs verkering had gehad met de oudste dochter, Roza. ‘Dat is mijn moeder’, vertelde ik toen. Hij werd er stil van.”

De snackbarhouder woont aan de overkant van de straat en neemt het gezelschapje mee naar huis. ,,’Dit is de dochter van Roza van Tijn en ze heeft niks van haar moeder’, vertelde hij tegen zijn vrouw. Die zei: ‘Ik heb een heel grote familie. Ik ga mijn best doen voor een foto’.”

Nog geen week later heeft Pront een foto van haar moeder uit de zesde klas van de lagere school. Het verhaal van Katja gaat als een lopend vuurtje door Naaldwijk en al snel blijken er in de gemeenschap veel meer foto’s en andere spullen van de familie Van Tijn te zijn. ,,Datzelfde jaar kwam er zelfs een foto van mijn vader boven water.”

Alle emoties die dit in haar losmaakt, kan ze niet in één keer verwerken. ,,Ik trok een muur op om me te beschermen.”

Pas later kan ze helder op de gebeurtenissen terugkijken. ,,Iedereen wilde in die periode iets van mij. Toen ze eenmaal wisten dat ik bestond, werd ik overal opgetrommeld.” Gekscherend: ,,Toen wereldberoemd in Naaldwijk en omstreken en nu ook in Leeuwarden.”

OPK-dossier

Mede naar aanleiding van het project over de Joodse kinderen, besluit Katja Pront haar OPK-dossier op te vragen. Hierdoor vallen veel ontbrekende puzzelstukjes op hun plaats en leert ze en passant haar ouders beter kennen. In het dossier, dat ze pas vorig jaar ingezien heeft, staat dat haar pleegouders het heel erg vinden om Katja af te geven. Ook leert ze dat haar vader aan tuberculose heeft geleden in zijn buik, door zijn werk in een abattoir. ,,En mijn moeder was levenslustig”, vertelt Pront opgetogen. ,,Ik leer nog steeds over mijn ouders.”

Ook ontdekt Pront dat ze een halfjaar bij vrienden van haar grootvader van moederszijde in Naaldwijk was ondergedoken. ,,Bijna direct na mijn geboorte ben ik daarheen gebracht. Maar mijn moeder had zo’n heimwee, die wilde mij terug.”

De onthulling van het poëzietableau bij het NS-station in Leeuwarden was dit jaar het sluitstuk van het multimediale project de Terugkeer van de Joodse Kinderen. In de afgelopen twee jaar zijn tientallen verhalen van Joodse onderduikkinderen boven water gehaald. Op het tableau staat een gedicht over de ‘Joodse kinderen’ van Syds Wiersma, waarin Katja zegt zichzelf heel goed te herkennen. ,,Vooral het uitschelden van Joodse kinderen, dat heb ik zelf in Huizum ook meegemaakt.’’

Nieuws

menu