Streektalen ontwikkelen zich nog door ze te appen

De traditionele streektalen zijn aan erosie onderhevig. Steeds minder mensen spreken het Limburgs, het Nedersaksisch, Zeeuws, Brabants of het Fries. Peuterspeelzalen lijken zelfs soms de doodsteek te geven. Toch blijft Leonie Cornips hoopvol gestemd: ,,De streektalen ontwikkelen zich nog steeds. Er is nog nooit zoveel in streektalen geappt als nu.”

Nederland kent op dit moment drie streektalen die officieel erkend worden als minderheidstaal: het Fries en het Nedersaksisch sinds 1996 en het Limburgs sinds 1997. Dat heeft alles te maken met het Europees handvest voor regionale of minderheidstalen, vertelt Leonie Cornips, onderzoeker variatielinguïstiek van het Meertensinstituut van Amsterdam en hoogleraar Taalcultuur in Limburg van de Universiteit Maastricht. ,,Dat manifest, ook wel bekend onder de naam Handvest nr. 148, werd in 1992 ondertekend door een groot aantal EU-landen.” Ook Nederland zette zijn handtekening.

De aangesloten overheden konden vanaf dat moment talen aandragen voor een Europese erkenning, vallend onder Deel II of Deel III. Het Limburgs en het Nedersaksisch werden voor Deel II aangemeld.

,,Deel II kan worden beschouwd als een soort bereidheidsverklaring van staten zoals Nederland om een positief klimaat te scheppen rond het gebruik en de instandhouding van minderheidstalen. Zo kan er meegedacht worden over hoe je een streektaal in het onderwijs kunt inzetten. Of dat overheidsfunctionarissen zich afficheren door bij openbare gelegenheden in de streektaal te spreken.” Het voornaamste doel van Deel II? ,,Sprekers van een streektaal een steuntje in de rug geven.”

Meer verplichtingen

Deel III is andere koek. Als een land een taal aanmeldt onder Deel III, dan verplicht het zich om zich te houden aan zo’n 35 maatregelen die betrekking hebben op het onderwijs, de rechtspraak, bestuur en overheidsdiensten, op media en cultuur, op economie en sociaal leven en internationale betrekkingen.

Het mag duidelijk zijn. Het Fries is destijds aangemeld onder Deel III. Op dat moment werd het Fries al beschouwd als tweede rijkstaal in de provincie Fryslân, maar pas sinds 1996 gelden alle 35 maatregelen voor deze noordelijke streektaal. Zoals de verplichting om Fries in het onderwijs aan te bieden of het recht om van de rechter te vragen Fries te spreken (eventueel met behulp van tolk) in de rechtszaal. Alle wetgeving en officiële documenten moeten in het Fries beschikbaar zijn. En er zijn talloze potjes om bijvoorbeeld het Fries in het Friese culturele leven een boost te geven.

Ruim tweehonderd jaar na de sluiting van de Universiteit van Franeker heeft Fryslân volledig universitair onderwijs terug. @CampusFryslan begint klein, maar is vol ambitie https://t.co/bL9M1E5Ada

— Friesch Dagblad (@frieschdagblad) September 14, 2018

Geïnspireerd door de Nedersaksen en de Limburgers liepen de Brabanders en de Zeeuwen al snel warm voor ook een erkenning onder Deel II, vertelt Cornips. Maar plots was er die gesloten deur voor erkenning. Hoe kon dat? ,,Een jaar na de erkenning van het Nedersaksisch en het Limburgs nam de Nederlandse Taalunie de rol op zich om te adviseren inzake nieuwe erkenningen.” Voor het goede begrip: de Nederlandse Taalunie is een transnationale kennis- en beleidsorganisatie voor het Nederlands. Het orgaan werd in 1980 door Nederland en België opgericht om een gemeenschappelijk beleid op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in Nederland en Vlaanderen te ontwikkelen.

België

Terwijl Nederland in 1992 het Manifest nr. 148 ondertekende, paste België daarvoor. ,,Dat het Nederlands Vlaams, het Frans en het Duits erkend waren als talen was voor België blijkbaar meer dan genoeg.” Toen de Zeeuwen en Brabanders een aanvraag deden voor Deel II, kregen ze nul op het rekest. ,,Terwijl Nederland welwillend tegenover zijn landgenoten stond, vond België een erkenning niet nodig. ,,Wat dat betreft zijn de Belgen wel consistent. Terwijl het Limburgs in Nederland erkend is, wordt het Limburgs in België niet gezien. Ook al wordt het Limburgs daar gewoon gesproken. Een taal houdt zich immers niet aan landsgrenzen.”

Terwijl het Zeeuws en het Brabants nu dus noodgedwongen in de hoek staan, heeft het Nedersaksisch de wind in de zeilen. Vorig jaar oktober werd in het provinciehuis in Zwolle het convenant voor de erkenning van de Nedersaksische taal nog eens ondertekend. ,,Beschouw het als een hernieuwde afspraak met het Ministerie van Binnenlandse Zaken om te proberen de taal levend de houden.” Nog steeds komt er geen geld uit Den Haag. Toch kan het convenant worden gezien als een opmaat tot verdere ontwikkelingen. ,,Bijvoorbeeld hoe overheden samen kunnen optrekken met de Nedersaksisch sprekende regio’s in Noordwest-Duitsland en de Europese Unie.” Niet dat de Nederlandse Taalunie zo blij was met het convenant. ,,Die zien regiotalen eerder als variaties op het Nederlands.”

Als mensen buiten Nederland aan het Nederlands denken, denken ze aan één taal. Maar dat klopt niet.

En daarmee komen we op de vraag wat een taal eigenlijk is. Daarvoor moeten we de geschiedenis induiken, onderwijst Cornips. ,,Het einde van de negentiende eeuw was de tijd van de vorming van jonge natiestaten. In die tijd ontstond het idee van een land, een taal. Dat Nederland eentalig zou zijn, is dus gebaseerd op die oude natiegedachte.” Toch leeft dat idee nog steeds. ,,Als mensen buiten Nederland aan het Nederlands denken, denken ze aan één taal. Maar dat klopt niet. Aan een taal kleven intrinsiek meerdere varianten. Wij spreken beiden nu Nederlands, maar jouw Nederlands is toch net iets anders gekleurd dan dat van mij.”

Dat geldt net zo goed voor het Fries, vervolgt ze. ,,Die taal kent immers ook verschillende dialectische varianten.” Het Limburgs is zo een verzamelnaam voor alle dialecten die in Limburg (en België) worden gesproken. Hetzelfde uitgangspunt geldt voor het Nedersaksisch. Dat is een verzamelnaam voor alle dialecten die in het oosten van Nederland en over de grens met Duitsland worden gesproken.

Meerdere taalsystemen

Het Europees handvest voor regionale of minderheidstalen erkent juist dat een meertalige spreker werkt met meerdere taalsystemen. ,,Als een Limburger overstapt op het Limburgs, schakelt hij toch echt over naar een ander grammaticaal systeem.”

Een grens trekken tussen taal en dialect, tussen streektaal of dialectische variant is geen doen en eigenlijk ook niet kies. ,,Je geeft een hiërarchie aan die er niet is. Kijk naar het Nederlands. Deze taal is oorspronkelijk ontstaan uit het zeventiende-eeuwse Nederlands dat in Haarlem en Amsterdam door de lokale elite werd gesproken. Daar zat op dat moment de politiek-economische macht. Daarom werd die variant tot nationale taal verklaard. Wist je dat het Engels en bijvoorbeeld het Frans eenzelfde ontstaansgeschiedenis kennen? De taal die in de zeventiende eeuw door de Londense respectievelijk Parijse elite werd gesproken, die het centrum vormde van politiek-economische macht, ontwikkelde zich ook tot de dominante nationale taal.”

Dat Nederland eentalig zou zijn, is gebaseerd op de oude natiegedachte

Taalkundig valt er niets zinnigs te zeggen over het verschil tussen een taal en een dialect. ,,In beide gevallen spreek je van gelijkwaardige grammaticale systemen.” In maatschappelijk opzicht is er wel verschil. ,,Een grammaticaal systeem dat ‘taal’ wordt genoemd heeft meer prestige dan een grammaticaal systeem dat het moet doen met het woord ‘dialect’.” In de praktijk bepaalt de historie van een grammaticaal systeem of het zich ontwikkelt tot taal of tot dialect. Wat dat betreft heeft het Fries goede kaarten. De taal kent een lange historie van taalbewustzijn, beginnend in de middeleeuwen met zijn oude Friese wetsteksten, weer oplevend in de zeventiende eeuw toen dichter Gysbert Japicx (1603-166) in zijn gedichten en teksten een nieuwe Friese schrijftaal ontwikkelde, met een tussenstop aan het einde van de negentiende eeuw waarin steeds meer de nadruk kwam te liggen op de Friese identiteit, culminerend in Kneppelfreed. Deze memorabele taalconfrontatie (11 november 1951) vond plaats in de Leeuwarder binnenstad waarbij Friezen en politie slaags raakten rondom een Friese taalkwestie. Deze ‘slag op het Zaailand’ werd, kort door de bocht, de opstap tot de erkenning van het Fries als rijkstaal in 1970. Het Limburgs en het Nedersaksisch kunnen niet bogen op zo’n lange periode van taalbewustzijn. Pas in de loop van deze eeuw kreeg dat vorm.

De impact van peuterspeelzalen

Ondanks de Europese erkenning van het Fries als rijkstaal, en het Limburgs en Nedersaksisch als officiële streektaal, zie je de laatste decennia een duidelijke terugloop van het aantal sprekers. ,,Voor heel Nederland geldt dat per generatie het spreken van een traditionele andere taal afneemt. Er zijn niet alleen minder sprekers, de dialecten of - zo je wilt - streektalen, groeien ook steeds meer naar elkaar én naar het Nederlands toe.”

Dat heeft natuurlijk alles te maken met de toenemende mobiliteit, maar Cornips noemt nog een opvallende oorzaak: de peuterspeelzalen en kinderdagverblijven. ,,Tijdens de jaren op de peuterspeelzalen laten de kleintjes hun thuistaal vaak los, ook al worden ze thuis keurig in een streektaal opgevoed. Wat zo opvallend is: ze laten die taal niet alleen op school los, ook als ze weer thuis zijn spreken ze nog steeds de taal van school.”

De frisistiek, het onderzoek naar de Friese taal en letterkunde, verkeert in zwaar weer vanwege bezuinigingen en een afname van het aantal studenten, aldus een aantal onderzoekers op het gebied van de Friese taal. https://t.co/IMGfVuvaqc

— Friesch Dagblad (@frieschdagblad) March 30, 2019

Hoe kan dat? ,,Vanaf de jaren zestig konden kinderen vanaf vier/vijf jaar naar de kleuterschool.

In die ontwikkelingsfase kan een kind alles al goed beredeneren. Hij heeft een helder beeld van tweetaligheid. Zo van: thuis spreek ik taal A, op school taal B.” Zestig jaar later is het gewoon dat de meeste kinderen vanaf twee jaar al naar een peuterspeelzaal gaan of naar een andere schoolachtige omgeving. ,,Cognitief is het voor deze leeftijdsgroep lastig te verklaren waarom er op die plek iets anders gesproken wordt dan thuis. Wat ze wel merken is dat hun huiselijke routine wordt doorbroken en dat er op de peuterspeelzaal alleen in hun thuistaal wordt gesproken als ze bijvoorbeeld moeten huilen of als het pauze is. Is er een centrale kennisactiviteit dan is het Nederlands wat de klok slaat.” Conclusie: het Nederlands is belangrijker dan de eigen taal. ,,Voor deze peuters is de peer group erg belangrijk. Een vriendje of vriendinnetje heeft in die fase meer in te brengen dan de ouders. Spreekt de juf Nederlands en het vriendje ook, dan is de boodschap helder. Het Nederlands is waardevoller dan de taal die het kind zelf spreekt. En zo gebeurt het dat kinderen die een minderheidstaal spreken ermee ophouden zodra ze naar de peuterspeelzaal gaan.”

Cornips is daarom ook erg te spreken over Sintrum Frysktalige Berne-opfang. ,,Deze stichting stimuleert en begeleidt peuterspeelzalen om het Fries en Nederlands als twee gelijkwaardige talen in te zetten en bewust beleid te maken aangaande het Fries.” Op de aangesloten locaties spreken sommige leidsters bijvoorbeeld altijd Fries met de kinderen, terwijl andere leidsters het Nederlands aanbieden. Of de conversatie nu formeel is of informeel, de verantwoordelijken houden vast aan hun taal. ,,Zo leert het kind dat beide talen overal gesproken mogen worden. Er is geen beter, alleen maar anders.” Deze vorm van kleuteropvang zou heel goed geïmplementeerd kunnen worden in de Limburgse en Nedersaksische taalgebieden, vervolgt Cornips, voor ouders en peuterspeelzalen die dit willen. ,,Dat er op peuterspeelzalen alleen maar Nederlands wordt gesproken is immers een vreemde zaak van uitsluiting.”

Sociale media en de toekomst

Sociale media laten juist een andere tendens zien. ,,De sociale media zijn alternatieve ruimtes voor jongeren om zich waardevrij te uiten.” Dat geeft onverwachte mogelijkheden voor streektalen. ,,De praktijk wijst uit dat socialemediagebruikers schrijven zoals zíj willen, zonder dat er een leraar op hun vingers tikt. Het is een heerlijke manier geworden om soepel in je eigen streektaal te tikken. Je mag gewoon zijn wie je bent. Zonder oordeel. En inderdaad, deze manier van schrijven is niet op basis van hoe iets hoort, zoals we in het onderwijs gewend zijn.”

Maar dat een taal helemaal genormeerd is, is ook typisch iets voor de Nederlandse taal. ,,Het Engels heeft een heel andere taalgeschiedenis. Het kent bijvoorbeeld geen spelling-regels.” Engelse woordenboekschrijvers bepalen in de praktijk hoe een Engels woord wordt geschreven, vertelt Conrips. ,,En dat wordt vervolgens de norm. Als het Engels het dus doet zonder spellingregels, dan is er zeker een schrijftoekomst voor streektalen.”

Die al is voorzichtig is begonnen, weet de wetenschapper. ,,Op dit moment worden er nieuwe schrijftalen geboren. Kijk naar het Limburgs. Die taal wordt veelvuldig, zelfs meer dan het Fries, gebruikt op de digitale platforms.” Op dit moment zijn er twee interessante ontwikkelingen. ,,Dat je in het Fries kunt appen en facebooken is wel bekend. Maar wist je dat dat sinds afgelopen herfst ook kan in het Limburgs?” Microsoft heeft sinds vorig jaar namelijk het Limburgs toetsenbord toegevoegd aan Microsoft SwiftKey keyboard. ,,Het Limburgs kent veel diakritische tekens zoals ë, ò, é, äö, oë, oeë, àè, ieë, ieè, eë, ië, aeë, èë, èw, àèë, àèw en aoë. Met de introductie van dit toetsenbord is het mogelijk om ook in het Limburgs lekker door te tikken.” Het is nu de vraag of jongeren gebruik gaan maken van deze app die gebaseerd is op Limburgse tekstbestanden, of dat ze zelf een nieuwe schrijftaal ontwikkelen.

Al met al is de talenhoogleraar hoopvol gestemd. ,,Kijk naar het inspirerende convenant voor het Nedersaksisch. Kijk naar het convenant dat na de zomer ook voor het Limburgs wordt ondertekend, kijk wat er gebeurt op de sociale media. Die ontwikkelingen zijn echt hoopgevend. Er is nog nooit zoveel in dialect en streektaal geschreven als nu.”

Nieuws

menu