Surinaamse buren gaven staartje aan koloniaal verleden waar niet iedereen in Berltsum op zat te wachten | Serie: Sporen van slavernij

In 1975 werd Suriname onafhankelijk. Alleen al dat jaar emigreerden 40.000 Surinamers naar Nederland. Ze werden tijdelijk opgevangen, waaronder op zeven plekken in Fryslân. In Berltsum werd wantrouwend op hun komst gereageerd.

De voormalige tuinbouwschool in Berltsum.

De voormalige tuinbouwschool in Berltsum. Foto: Marchje Andringa

Aan de Hôfsleane in Berltsum staat een voormalige Lagere tuinbouwschool. Toen deze in 1922 werd geopend, had men niet kunnen bevroeden dat het ruim een halve eeuw later in 1975 onderdak zou bieden aan zeven gezinnen met in totaal vijftig Hindoestaanse Nederlanders uit Suriname. Hun komst naar Berltsum en andere plaatsen in Fryslân en Nederland hing nauw samen met de geschiedenis van slavenhandel en slavernij en de afschaffing daarvan in de negentiende eeuw.

Zodra door het verbod op slavenhandel in 1814 de ‘aanvoer’ van slaafgemaakten afnam, ontwikkelden de Nederlandse autoriteiten een systeem van contractarbeid om de plantages te verzekeren van voldoende onderbetaalde arbeidskrachten. In Zuidoost-Azië werden mensen geronseld die bereid waren de armoede te ontvluchten door in het Caraïbisch gebied te gaan werken. Een soort gastarbeiders avant la lettre . Zo werden er al vanaf 1853 in totaal 2.600 Chinese contractarbeiders naar Suriname gehaald.

Plantagewerk

Voor de Afrikanen die gedwongen naar het Caraïbisch gebied waren gebracht of daar in slavernij waren geboren, was er na de feestelijk gevierde ‘emancipatie’ van de slaafgemaakten in Suriname op 1 juli 1863, de eerste tien jaar nog geen vrijheid. Zij werden verplicht tot 1873 op de plantages te blijven werken om een tekort aan arbeidskrachten te voorkomen. Tegelijkertijd vroegen de Nederlanders toestemming aan de Britten om contractarbeiders in India te werven. Dat land was toen een Britse kolonie.

In de periode 1873-1916 zijn in totaal 34.000 Hindoestaanse contractanten uit India in Suriname aangekomen. Na hen volgden de eerste Javaanse contractarbeiders uit Nederlands-Indië. Java bood zo een alternatief om onafhankelijk van de Britten in samenwerking met lokale machthebbers contractarbeiders te werven. Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam er een einde aan deze praktijk. Inmiddels waren er bijna 33.000 Javanen in Suriname aangekomen.

In zijn indrukwekkende Wij slaven van Suriname uit 1934 verwoordde Anton de Kom het lot van de contractarbeiders, destijds veelal ‘koelies’ genoemd, als volgt: ‘Is de koelie vermoeid of ziek, dan gebeurt het wel dat de districtscommissaris hem voor de politierechter daagt wegens “onwil om te werken”. Verlaat hij de onderneming om even “naast” te gaan (…), dan loopt hij kans op een vonnis wegens “desertie”. Heeft hij door een ongelukkige houwerslag een koffieplant of bes beschadigd, dan wordt hem dat als vernieling van andermans eigendom aangerekend. En voor al deze delicten wordt hij gestraft met dwangarbeid voor korter of langer tijd, (...) terwijl hij tevens zijn recht verbeurt op repatriëring. Ach, menig Saïdjah zal zijn Adinda nooit weerzien!’

Met het vooruitzicht dat zij binnen een paar jaar met een goede spaarsom terug zouden keren, waren zij bereid geweest zich in te schepen. Velen voelden zich gedwongen te blijven gezien de lage inkomsten en het gebrek aan perspectief bij een eventuele terugkeer.

Nederlands staatsburgerschap

Met de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 keerden veel Surinamers in Nederland naar hun land terug; anderen, onder wie ook duizenden Hindoestanen en Javanen, gaven de voorkeur aan het Nederlandse staatsburgerschap en vertrokken naar Nederland. Er was niet alleen veel onzekerheid over de toekomst, maar er bestond ook de angst voor een escalerend conflict tussen Hindoestanen, Javanen en Creolen in Suriname.

Evenals de groep Molukkers en Indo’s uit Indonesië in de jaren 1950, werd ook deze groep in eerste instantie verdeeld over verschillende locaties in Nederland, waaronder in Berltsum. Daar was de argwaan groot. De gemeenteraad van Menaldumadeel, die op dat moment geen andere plannen had voor de voormalige tuinbouwschool, stelde zich welwillend op, maar vanuit het dorp klonk weerstand.

‘Bij geruchte hoort men, dat deze Surinamers wel eens vrolijk zijn en op zeer luidruchtige wijze hun feesten vieren soms tot diep in de nacht’, schreef Berltsumer K. Looyenga in een ingezonden stuk in de Leeuwarder Courant (2 juli 1975). ‘’s Lands wijs, ’s lands eer, akkoord, maar vindt men dit aangenaam voor de bewoners van de belendende huizen?’

‘Analfabeten’

Nee, vond secretaris Dijkstra van Berlikumer Belangen. ‘Stel dat het je buren worden. Het zijn praktisch analfabeten en die moeten wij hier opvangen. De huizen in de omgeving worden ook meteen de helft minder waard.’

‘Zijn geweten zit in de rechter achterzak’, schreef een inwoner van St. Annaparochie kort daarna in de krant over de woorden van Dijkstra. ‘Zijn mening rinkelt mee met de kassa. Daar en daar alleen liggen kennelijk de Berlikumer Belangen. (…) Zulke woorden kunnen alleen met een slechte adem gezegd worden. Dat is met geen tandpasta te verhelen’, aldus de briefschrijver, die de komst van de Surinamers een logisch gevolg noemt van eeuwenlang Nederlands koloniaal bestuur in Suriname.

Had meer informatie over dat koloniale verleden een gastvrije ontvangst kunnen bevorderen? Uiteindelijk kwam deze groep Surinamers immers naar Fryslân, omdat Nederlanders – onder wie ook Friezen – geprofiteerd hadden van de on- en onderbetaalde arbeid van hun voorouders in Suriname en Zuidoost-Azië.

De opvangplekken zoals in Berltsum bleven een paar jaar bestaan, waarna de Surinaamse Nederlanders uitwaaierden naar permanente woningen, veelal in de grote steden.

Barbara Henkes is historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen en auteur van het onlangs verschenen boek Sporen van het slavernijverleden in Fryslân. In een serie artikelen besteedt het Friesch Dagblad wekelijks aandacht aan kolonialisme en slavernij in het Friese verleden en wat daar vandaag nog van terug te zien is.