Stuurman Oepke Parma uit Workum voer de wereldzeeën over met koloniale handelswaar

Stuurman Oepke Parma uit Workum maakte vele overzeese handelsreizen naar Suriname en Nederlands Oost-Indië, zowel voor als na de afschaffing van de slavernij in 1863. Een huisdeur in Harlingen herinnert aan zijn handelslust.

Scheepsportret (1858) door Jacob Spin, van de brik Luitenant Admiraal Tjerk Hiddes waarmee Oepke Parma op Suriname voer.

Scheepsportret (1858) door Jacob Spin, van de brik Luitenant Admiraal Tjerk Hiddes waarmee Oepke Parma op Suriname voer. Afbeelding: Fries Scheepvaart Museum.

Het huis op De Lanen 13 in Harlingen heeft een bijzondere deur van teakhout. Kapitein Oepke Sikkes Parma uit Workum (1829–1882) bracht het hout van de deur mee uit het toenmalige Nederlands Oost-Indië. Hij bewoonde dit pand samen met zijn gezin, voordat zij naar Midlum verhuisden.

Oepke was afkomstig uit een zeemansgeslacht. Zijn grootvader, vader en oom waren gezagvoerder op de grote vaart. Als twaalfjarige jongen vertrok hij per schip onder gezag van zijn vader vanuit Amsterdam naar Suriname. In de jaren daarna voer hij – eerst als ‘jongen’ en lichtmatroos, later als stuurman – op diverse schepen met verschillende kapiteins, zoals zijn nazaat S. Parma in een zorgvuldig onderzochte biografische schets uit 2002 heeft geïnventariseerd.

Kapitein

In november 1847 werd Oepke Sikkes Parma ingeschreven als leerling van de School voor Wis- en Zeevaartkunde in Harlingen. De opleiding sloot hij af met een bevordering tot kapitein.

De eerste twee reizen onder zijn gezag gingen naar het Oostzeegebied; voor de derde reis vertrok Parma eind 1851 naar Suriname met negen bemanningsleden, onder wie stuurman J.H. van Meurs, die het journaal bijhield.

Bij de plantage Waterloo werden ijzerwerk, kalkstenen, mopstenen, hoepels, cement, spijkers en steenkolen gelost. Vervolgens werden hier en ook bij andere plantages langs de Nickerierivier in totaal 134 vaten suiker en 19 balen koffie geladen. Over de mensen met wie zij in contact kwamen, staat niets vermeld, al zal de lading koffie en suiker door slaafgemaakten aan boord van het schip zijn gebracht.

Kwassiehout

Op 1 juli 1863 werd de slavernij formeel afgeschaft, maar de handel ging door. Zo verbleef Parma met de brik Luitenant Admiraal Tjerk Hiddes van november 1863 tot april 1864 in Suriname. Er werd een lading gelost bestaande uit latten, (bak)stenen, slijpstenen, cement, kalk, stenen en aardewerk.

Vervolgens werd 14.400 kilo kwassiehout ingeladen – een geneeskrachtige struik die werkt tegen koorts en draadwormen, genoemd naar de in vrijheid gestelde Surinaamse ex-slaaf en heelmeester en botanicus Graman Quassi. Ook werden 87 vaten en 31 balen koffie ingescheept, 58 vaten melasse, 48 vaten suiker, en verder rum en katoen. Onderwijl werden de gangbare scheepswerkzaamheden en reparaties verricht.

Ook in dit scheepsjournaal wordt geen melding gemaakt van het contact met mensen aan de wal. Daarom geven deze bronnen helaas geen inzicht in een mogelijke verschuiving in de sociale verhoudingen sinds de formele afschaffing van de slavernij. Op 17 april 1864 werd de terugreis aanvaard en konden Oepkes Sikkes Parma en zijn bemanning zich verheugen op een behouden terugkeer.

Barbara Henkes is historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen en auteur van het onlangs verschenen boek ‘Sporen van het slavernijverleden in Fryslân’. In een serie artikelen besteedt het Friesch Dagblad wekelijks aandacht aan kolonialisme en slavernij in het Friese verleden en wat daar vandaag nog van terug te zien is.