't Oude Bosch in Bakkeveen is nog niet heel oud, maar wel een prachtig gebied om te gaan wandelen | Friese kuiers

Wandelen is verrukkelijk. Korte of lange wandelingen, door bos, over heide of in de stad. Wat heeft Fryslân allemaal aan schoons te bieden? Het eerste deel van de zomerserie Friese kuiers voert ons naar Bakkeveen.

't Oude Bosch is een ideale plek om te wandelen.

't Oude Bosch is een ideale plek om te wandelen. Foto: Ineke Evink

Wandelen, lopen, kuieren, het waren ooit activiteiten waar verder geen aandacht aan werd geschonken. Een wandelingetje maakte je op zondagmiddag, een ommetje door de buurt en dan meteen even langswippen bij oma. Of je maakte een bos- of strandwandeling, als je in de gelukzalige omstandigheden verkeerde dat je vlakbij het bos of het strand woonde.

Maar wandelen is de nieuwe volkssport geworden. Wandelen is goed voor zo’n beetje alles, het helpt tegen akelige ziektes en overgewicht, het verbetert de bloedsomloop, zorgt voor een goed humeur en een fris brein. En omdat Nederland in het algemeen en Fryslân in het bijzonder zich uitstekend leent voor wandelen, waagt ook de redactie zich aan de wandeling. Net als vorig jaar maken we een serie Fryske kuiers, en dit is het eerste deel.

Dat is geen straf, niks lekkerder dan wandelen. Gewoon op je dooie akkertje maar beginnen met lopen, zien wat er zich voor je oog ontvouwt aan schoonheid, of dat nu in Gods vrije natuur is of in de stad.

Kraamkamer

Vandaag begin ik in de natuur, de natuur bij Bakkeveen. ‘t Oude Bosch, om precies te zijn. Omdat het een warme dag belooft te worden, ben ik al vroeg van huis vertrokken, ruimschoots voor acht uur. De parkeerplek aan de Duerswaldmer Wei is helemaal leeg en dat is geen wonder, zo vroeg op een dinsdagmorgen. Veel plaats is er overigens niet, maar voor vijf of zes auto’s.

Een paar meter na de slagboom die moet voorkomen dat de auto’s dieper het bos inrijden, staat een picknicktafel. Ernaast staat het bordje ‘Koningsdiep. ’t Oude Bosch’, met daaronder de mededeling dat dit gebied de kraamkamer is van de das en dat rust voor deze dieren extra belangrijk is in het broedseizoen. Een vertederend plaatje van jonge dassen moet de wandelaar extra aanmanen op de paden te blijven. Ik wist niet dat dassen broeden (het zijn immers zoogdieren) maar ik gun ze alle rust die ze nodig hebben.

Het bos weergalmt van de vogelgeluiden, waarvan ik in ieder geval het geluid van het roodborstje herken. Even later zie ik hem zitten, roerloos op een tak, alsof hij even wacht tot ik voorbij ben gelopen en hij zeker weet dat ik niet uit ben op zijn nest.

Geen oerbos

’t Oude Bosch is natuurlijk geen oerbos, dat bestaat nergens meer in Nederland en in Polen doen ze hun uiterste best ook het laatste stukje Europees oerbos om zeep te helpen. Maar een mooi bos is het wel. Als kind woonde ik op de Veluwe en mijn ouders en grootouders waren fervente boswandelaars. Ik heb daar een grote voorliefde voor het bos opgedaan, en dan het liefst gemengd bos, met zowel naald- als loofbomen.

Ik word hier op mijn wenken bediend. Vliegdennen, sparren, grove dennen, beukenbomen, berken, eiken en zelfs tamme kastanjes groeien hier. De afwisseling is groot, en dat geldt ook voor de begroeiing onder de bomen. De kamperfoelie is helemaal opgekomen en bloeit uitbundig, evenals de salomonszegel en de bramen- en wilde frambozenstruiken (jawel, wilde frambozen!). Ik verheug mij alweer op het najaar.

Steekvliegen

Aan insecten is hier geen gebrek, en dat is toch geruststellend na de berichten over de grote achteruitgang van de insectenstand in Nederland. Grote gele libellen vliegen er, grote hommels (of zijn het hoornaars?) die een geluid maken als van een kleine helikopter, en helaas ook steekvliegen.

Voor die laatste moet je uitkijken, en dat is gelukkig eenvoudig want je voelt het meteen als ze je steken. Goed aankleden helpt niet veel want ze steken zelfs door een laagje textiel heen. De beet van een steekvlieg geneest langzaam, zorgt voor grote rode plekken die met een beetje pech maanden blijven zitten, en ze kunnen bovendien lelijk ontsteken. Thuis de plek even ontsmetten is dus een goed idee.

Gewoon goed doorlopen helpt ook. Als ik even stil blijf staan, en dat doe ik af en toe om bijvoorbeeld een plant wat beter te bekijken, word ik meteen belaagd. Toch achtte Natuurmonumenten het verstandig ook nog een insectenhotel op een open plek in het bos neer te zetten, met een vogelhuisje eraan vast. Het leek me water naar de zee dragen, en bovendien wat ongastvrij voor de insecten, met zo’n onderkomen van je grootste vijand pal om de hoek. Maar wie weet helpt het.

Pijlen en paaltjes

Er is genoeg keuze uit routes in dit bos, zowel lange als korte, in een lus of van de ene naar de andere plek. Maar ik heb een hekel aan door anderen bedachte routes. Het liefste vraag ik me bij elke splitsing af welke kant ik op zal gaan. En dan niet kijken naar paaltjes met rode, groene en witte pijlen of ANWB-paddenstoelen met tot op honderd meter nauwkeurige afstanden tot weet-ik-waar, maar gewoon naar wat me het mooiste lijkt.

Ga ik naar waar het lichter lijkt omdat daar wel een open plek zal zijn, wil ik naar die grote beuken toe, of sla ik toch liever een smal kronkelpaadje in om me te laten verrassen? Heb ik zin om nog wat verder door te lopen of houd ik het liever korter?

Het mooie van ’t Oude Bosch is dat het allemaal kan. Er zijn genoeg routes aangegeven voor de liefhebber van vaste routes. En voor wie dat niet wil, is het bos niet zo groot dat je uren onderweg bent als je toevallig een slecht richtingsgevoel hebt. En het is ook niet zo klein dat je binnen de kortste keren weer bij de parkeerplaats bent aanbeland.

Kronkelpad

Ik kies er daarom voor meteen al de aangegeven route te verlaten, en rechtsaf te slaan, een kronkelpad in. Het is zaak regelmatig naar de grond te kijken want de boomwortels komen hier overal aan de oppervlakte. Het pad blijkt na een tijdje overigens gewoon weer uit te komen op een breder pad, dus zo spannend was het nou ook weer niet.

Niet alleen wandelaars kunnen hier hun hart ophalen. Er lopen ook ruiterpaden door ‘t Oude Bosch, en fietspaden, compleet met typisch Nederlandse waarschuwingsbordjes voor hobbels in de weg. Tja, dat kun je verwachten in een bos. Boomwortels trekken zich niet zo veel aan van asfalt. Groot voordeel voor de wandelaar is dat hij van al deze paden gebruik kan maken.

Hondenbezitters die hun hond graag even los laten lopen, mogen dat in bepaalde delen van ’t Oude Bosch ook doen. Die plekken staan keurig aangegeven met gele bordjes, zowel bij binnenkomst als waar het losloopgebied weer ophoudt. Want het mag dan honderd keer natuur zijn, deze natuur ligt wel in een van de meest aangeharkte landen van de wereld. Dat klinkt wat veroordelend, maar aanharken heeft ook voordelen, voor de wespendief bijvoorbeeld, een grote roofvogel.

Natuurmonumenten, eigenaar van dit gebied, kapt op sommige plekken bomen om de wespendief de gelegenheid te geven hier te broeden, het dier heeft namelijk een aanvliegroute nodig naar het nest en dan kunnen hoge bomen in de weg staan. Sommige gebieden zijn zelfs helemaal niet toegankelijk. Dat zijn speciale rustgebieden voor dieren.

Maar rustig is het hier toch al. Tijdens de hele wandeling kwam ik drie mensen tegen te voet, en twee op de fiets. En dat in ruim anderhalf uur.

Kunstmatig opgehoogd

Het bos is opvallend nat. De paden zijn hier en daar modderig, terwijl het toch al een tijd geleden is dat het heeft geregend. En er zijn overal sloten en greppels te zien, met en zonder water. Dat komt doordat de grond kunstmatig is opgehoogd, zo rond 1700. De familie Lycklama à Nijeholt plantte er bos aan voor de houtproductie. Maar dennen, beuken en eiken groeien niet goed op natte grond, vandaar de greppels en geulen. Het verklaart meteen de brede paden die het hele bos doorkruisen: handig voor de wagens waarop het gekapte hout werd afgevoerd.

Voordat het stuk grond bos werd, was het heide. En dat is nog steeds hier en daar te zien aan kleinere planten als de vossenbes en een paar heidesoorten. Maar nat is het nog steeds. Ik kom zelfs langs een speciaal ‘nattevoetenpad’, met als aantekening op een bordje dat Natuurmonumenten ook een alternatieve route heeft voor mensen die daar niet van houden. Ik kijk even naar mijn hoge linnen gympen en besluit dat natte voeten me niet deren. Worden mijn schoenen nat of vies, dan gooi ik ze gewoon in de wasmachine.

Ooievaars

De neiging mijn eigen route te volgen heeft nog meer voordelen. Opeens zie ik weiland in de verte, het veld is licht geelgroen, er liggen koeien te herkauwen en even verderop stappen twee ooievaars statig door het gras, af en toe iets van hun gading oppikkend. In de verte ligt opnieuw een reep bos, donkergrijs-groen tegen de horizon.

Als ik dichterbij kom, hoor ik het geluid van water, alsof er een waterval in de buurt is. Maar er blijkt een soort afwatering van beton te staan. Het water van het Koningsdiep stroomt hier met grote vaart naar beneden, enkele tientallen centimeters op zijn minst, en verdwijnt dan onder een zandweg. Aan de andere kant van de weg stroomt het water verder, maar op geen stukken na met de stroming die je zou verwachten met dit verval. Wat gebeurt daar onder het zand?

Ik kom er niet achter en loop weer terug het bos in, nu op een fietspad. Nog 1,9 km naar de Freulevijver, meldt een ANWB-paddenstoel. Die ken ik nog van andere wandelingen maar ik besluit hem links te laten liggen, of liever, rechts. Hoe meer water, hoe meer muggen. Muggen houden van stilstaand water omdat ze daar hun eitjes in kunnen leggen. Bij de Freulevijver zou ik een waar muggenfeestmaal vormen.

Rododendrons

De Freulevijver is in minder mugrijke tijden een heel mooie plek. Oorspronkelijk was het een meertje maar rond 1900 liet freule Eritia Ena Romelia Lycklama à Nijeholt (1845-1902) het vergroten. In het midden ligt een eilandje, eromheen groeien rododendrons.

Een theekoepel en botenhuis maakten het geheel af. Beide hebben na een brand plaatsgemaakt voor een prieel van struiken waar je heerlijk kunt zitten, in de schaduw of uit de regen, naar gelang de weersomstandigheden.

Er is nog meer water in ’t Oude Bosch, zoals een paar pingoruïnes (meertjes die zijn overgebleven uit de laatste ijstijd). In een ervan, tijdens de laatste paar honderd meter van mijn wandeling, barst het van de kikkers. Al van verre hoor ik ze kwaken en het gezang van de vogels bijna overstemmen. Wat een herrie! Ze moeten het er wel uitstekend naar hun zin hebben.

Minilandschap

Ik heb het ook enorm naar mijn zin, om meerdere redenen. Dit bos heeft, voor wie goed kijkt, zoals alle gemengde bossen twee niveaus. Het eerste niveau zie je meteen als je er binnenloopt: statige beuken, krakende vliegdennen en nog veel meer moois.

Voor het tweede niveau moet je op de hurken. En als je dan goed kijkt, zie je zomaar opeens dat de wallen met net opgekomen dennetjes en andere zaailingen, het sterrenmos, de boomstronken, muizenholletjes en afgevallen bladeren een minilandschap op zichzelf vormen.

‘t Oude Bosch heeft alles: bomen en struiken, water, open plekken, rust voor dieren, banken om even uit te rusten of het landschap te bekijken. Met andere woorden, ruimte voor iedereen. Ook voor wandelaars.