De natuur als levensgids

Het leek een interessante gedachte. Twee boeken bespreken over de mensheid die haar verbinding met de natuur is kwijtgeraakt en over hoe die relatie kan, nee móét, worden hersteld voordat het te laat is. Maar na bijna 600 pagina’s lezen in het werk van de Amerikaan Gary Ferguson en Engelsman Paul Kingsnorth is de grote vraag: waar moet je in vredesnaam beginnen?

De natuur als levensgids.

De natuur als levensgids.

Ook een andere vraag zou je kunnen stellen: waar begin ik in vredesnaam aan? Beide boeken stellen namelijk dat het huidige vooruitgangsdenken niet houdbaar is. Ook een transitie naar een duurzamer manier van leven gaat niet helpen om de mensheid te redden. Het blijven streven naar groei gaat ons uiteindelijk de kop kosten, ook mét waterstofauto’s, windmolens en zonnepanelen. Terughoudendheid en matiging is het devies in beide boeken. Oftewel, de mens is niet het middelpunt van het universum.

Zowel Ferguson in De acht grote lessen van de natuur , als Kingsnorth in Bekentenissen van een afvallig milieuactivist schrijft dat de planeet aarde nog wel even zal blijven bestaan, maar de vraag is of de mens daar nog deel van uitmaakt. Niet echt een vrolijk makend uitgangspunt. Volgens hen zijn we, zoals alle beschavingen in het verleden die bleven streven naar het vergaren van rijkdom, bezig onszelf om zeep te helpen. En in onze val nemen we ook nog eens duizenden andere organismen mee.

Kingsnorth vindt dat we als mens fors moeten minderen in onze behoeften opdat we het nog wat langer uithouden op de aardbol: ‘Het betekent dat ik moet minderen. Het betekent dat ik het mezelf ongemakkelijk moet maken. Het betekent dat ik aandacht moet hebben.’ Hij heeft het idee afgeschud dat je met grote bewegingen de mensheid kunt veranderen. Hij trekt zich daarom terug, samen met zijn vrouw en twee kinderen, op een stukje grond in het westen van Ierland. Hij zegt over die keuze dat wanneer je de verantwoordelijkheid neemt voor een specifiek stukje, je nog iets kunt bereiken. En Kingsnorth blijft geloven in het vertellen van verhalen en in het ‘(…) schrijven met de aarde onder je nagels’.

Kingsnorth en zijn vrouw onderwijzen hun kinderen zelf en doen dat vooral buiten in de natuur. Ze proberen zo eenvoudig mogelijk te leven en verbouwen hun eigen eten. Maar ook Kingsnorth kan niet zonder de geneugten van de moderne tijd. Enigszins beschaamd vertelt hij wel auto te rijden en gebruik te maken van internet. Sterker nog, het internet is een belangrijk podium voor zijn ideeën.

In het opbeurendste deel van het boek schrijft Kingsnorth over het herstellen van zijn verbinding met de natuur. Die was hij, naar eigen zeggen, als stadsjongen verloren. De schrijver vertelt prachtig over zijn ervaringen wanneer hij zich overweldigd voelt door iets wat veel is groter is dan hijzelf, op plekken waar de natuur nog ‘heel’ is. Hij stelt dat vernietiging van natuur niet alleen een materiële, maar vooral ook spirituele kwestie is. ‘Natuur is een plek waar ik een magische of misschien wel heilige ervaring kan hebben. Mijn hart breekt als dat omwille van economie wordt platgewalst. Er wordt iets van mijn geluk afgenomen.’

Verleiden tot verandering

Op dit punt ontmoeten de rauwe Kingsnorth en de wat zachtere aanpak van Ferguson elkaar. De Amerikaan vliegt zijn betoog totaal anders aan. Hij kiest voor de verleiding. Zijn stelling is dat we ons verlangen om meer in harmonie met de natuur te leven, relatief eenvoudig kunnen vervullen. En dat er geen scheiding is tussen mens en natuur, zoals de Franse filosoof Descartes ons lange tijd wilde doen geloven. Volgens Ferguson zijn veel antwoorden op levensvragen gewoon in de natuur te vinden.

Ferguson beschrijft bijvoorbeeld hoe wolven in een groep zorgen voor oudere dieren. Hoe belangrijk ervaren olifantenvrouwtjes zijn om droge periodes te overleven omdat alleen zij de herinnering hebben aan plekken waar nog wel water te vinden is. Of hoe de natuur geen druppel energie verspilt. Hij voorspelt de lezer ook een ander leven: ‘Als mensen meer met natuur verbonden zijn, zullen ze waarschijnlijk ook een gezonder, gelukkiger en productiever bestaan opbouwen – één aspect daarvan blijkt verdraagzaamheid en liefde jegens anderen te zijn.’

Dominante volkeren die de wereld veroverden waren volgens Ferguson geneigd aan te nemen dat inheemse culturen door gebrek aan technologie eeuwenlang beperkt waren in het vergroten van hun welvaart. Met andere woorden: ze wilden dat net zo graag, maar konden het niet. Ferguson haalt eerder in zijn boek een mooi citaat aan uit een onderzoek van een Amerikaanse antropologe die het leven van de Amerikaanse Pit-indianen bestudeerde. De Pit-hoofdman noemde de migranten uit Europa ‘inalladui’ of oftewel zwervers, ‘(…) iemand die geen thuis heeft in de wereld. Jouw volk trekt zo gehaast door het land. Jullie zijn niet geïnteresseerd in het maken van verbindingen met de dieren of de planten of de mensen die het land bewonen. Daar begrijpen wij niets van. We denken dat jullie voor een deel dood zijn vanbinnen.’

Natuur belangrijkste ervaring

Het zijn harde woorden, maar er zit een kern van waarheid in. Streven we inderdaad niet te veel naar zaken die ons uiteindelijk niet per se gelukkiger maken? Mensen aan wie op hun sterfbed wordt gevraagd naar wat het belangrijkste was in hun leven, noemen nooit de rijkdom die ze hebben vergaard. Bijna altijd gaat het over de mooie vriendschappen, over samen zijn met familie, over de zorg voor anderen. En verrassend veel mensen noemen een bijzondere natuurervaring als een van de belangrijkste momenten in hun leven. Met deze wetenschap, zou je zeggen, ligt het geluk voor het oprapen. Daarvoor hoef je deze twee, overigens zeer interessante, boeken niet per se te lezen.