De Europese Unie is boos op premier Viktor Orbán van Hongarije. Maar wat kan Brussel doen? | Achtergrond

De kritiek op EU-lidstaat Hongarije is niet van de lucht vanwege de nieuwe anti-LHBTI-wet. Premier Rutte roept Hongarije op de EU te verlaten. De Europese Commissie noemt de wet een ‘schande’ en dreigt met strafmaatregelen. Maar wat kan de EU doen?

De Hongaarse premier Viktor Orbán bij aankomst in Brussel voor een EU-top, 24 juni.

De Hongaarse premier Viktor Orbán bij aankomst in Brussel voor een EU-top, 24 juni. Foto: EPA

Van de 27 EU-lidstaten hebben op initiatief van de Benelux-landen vorige week achttien lidstaten de Europese Commissie gevraagd om Hongarije tot de orde te roepen en zo nodig naar het Europees Hof van Justitie te stappen omdat de wet homo’s en andere LHBTI’ers ‘flagrant’ zou discrimineren.

De Europese Commissie - het dagelijks bestuur van de EU - heeft daar wel oren naar en dreigt met juridische stappen omdat de wet, die volgens Hongarije moet tegengaan dat kinderen op school of door boeken en films in aanraking worden gebracht met homoseksualiteit en geslachtsverandering, ’discriminerend’ zou zijn. ,,De wet is een schande”, zegt commissievoorzitter Ursula von der Leyen.

Menselijke waardigheid

De regering van de Hongaarse premier Viktor Orbán ziet de wetgeving als een manier om op te komen voor het welzijn van kinderen en tieners, maar critici spreken over discriminatie en een aanslag op de vrijheid van meningsuiting. Orbán stelt dat hij niet tegen homoseksualiteit gekant is, maar het welzijn van jongeren beoogt. De meerderheid van zijn Europese ambtgenoten is het daar niet mee eens. Zo noemt de Franse president Emmanuel Macron ,,vechten tegen homofobe wetten het verdedigen van individuele vrijheden en menselijke waardigheid”.

De Duitse bondskanselier Angela Merkel veroordeelt in even scherpe bewoordingen de Hongaarse wet, maar zij bezit voldoende realiteitsbesef om te concluderen dat ,,de mogelijkheden voor stappen tegen Orbán beperkt zijn”. Zij wijst er op dat er inmiddels al jaren een zogeheten artikel-7-procedure (zo genoemd naar het betreffende artikel in het Verdrag van Lissabon) vanwege ondermijning van de rechtsstaat tegen Polen loopt en dat een dergelijke procedure tegen Hongarije niet van de grond komt, omdat beide landen elkaar het hand boven het hoofd houden.

De procedure kan ertoe leiden dat het stemrecht van een lidstaat in de EU-ministerraden wordt opgeschort, maar voor het zover is stroomt er heel wat water door de Donau. Een uiteindelijke veroordeling vergt unanimiteit (minus de lidstaat in kwestie) en Hongarije en Polen blokkeren een veroordeling van elkaar met hun veto. De twee landen zijn verenigd in een alliantie, de Viségradgroep, die verder bestaat uit Slowakije en Tsjechië.

Waarschuwingsbrief

De huidige artikel-7-procedure tegen Hongarije en Polen loopt hoogstwaarschijnlijk op niets uit en voor een nieuwe procedure tegen Hongarije is de bijval van achttien landen niet genoeg, het moeten er minstens 21 zijn. De Europese Commissie stuurt daarom een waarschuwingsbrief naar Boedapest.

Een dergelijke brief kan leiden tot een zogeheten inbreukprocedure. Om de gewraakte wet van tafel te krijgen, wordt het Europees Hof van Justitie gevraagd of er een inbreuk wordt gepleegd op fundamentele Europese rechten. Zo’n procedure kan zich jaren voortslepen en als Hongarije weigert de boete of dwangsom te betalen. Dan moet opnieuw de gang naar de rechter worden gemaakt.

Tegen die tijd kan de Brusselse animo om Hongarije de les te lezen danig zijn verdampt, want Hongarije beschikt ook over machtsmiddelen. Het land kan met zijn veto grote besluiten tegenhouden. Zo dreigden Polen en Hongarije eind vorig jaar hun veto over de Europese begroting (ongeveer 1100 miljard euro) en het coronaherstelfonds (750 miljard euro) uit te spreken omdat die gecombineerd zouden worden met sancties voor landen die de regels van de rechtsstaat overtreden. Polen en Hongarije zouden daardoor miljoenen aan subsidies uit Brussel mislopen. Uiteindelijk kwam Brussel beide Oost-Europese landen halverwege tegemoet met een ‘inlegvel’ met concessies.

Hongarije is met zes miljard euro uit Brussel na Polen de grootste netto-ontvanger binnen de EU. Een optie is het verstrekken van EU-subsidies te koppelen aan naleving van de Europese waarden rondom non-discriminatie en tolerantie zoals die zijn vastgelegd in artikel 2 van het Verdrag van Kopenhagen. Maar in de EU bestaat geen overeenstemming over financieel bestraffen van een dwarsliggende lidstaat.

Pauwendans

Overigens geeft Orbán op sommige punten gehoor aan Brusselse kritiek. Hij matigde zijn plannen om de rechterlijke macht en de media onder politieke controle te brengen. Later omschreef Orbán dit als een ‘pauwendans’ - een politiek spelletje waarbij je op ondergeschikte punten water bij de wijn doet om uiteindelijk op hoofdlijnen je zin te krijgen. Zeg maar, drie stappen voorwaarts, een naar achteren.

Wat in Brussel resteert is vooral morele verontwaardiging over een lidstaat dat de rechtsstaat vertimmerd en de rechten van minderheden steeds verder inperkt. Adequate machtsmiddelen om het zwarte schaap Hongarije tot de orde te roepen ontbreken. Wat zich nu wreekt, is dat na de toetreding van Hongarije in 2004 geen eisen meer zijn gesteld aan sociale en politieke hervormingen met daaraan gekoppeld dwangmiddelen. Want dat het huidige Hongarije nooit lid had kunnen worden van de EU, is wel duidelijk.