Friese familiegeschiedenis: De kleermaker van het verzet

De Friese familie Bakker leek wel een Privatkrieg te voeren, zou een SD’er gezegd hebben in het laatste oorlogsjaar. Tot dat moment waren er vijf familieleden gearresteerd geweest. Toni Boumans onderzocht het verhaal van Sjoerd Bakker, de kleermaker van het verzet. Nu ligt er een aangrijpend boek, over de hele familie, met een titel die hen treffend typeert: Je mag wel bang zijn, maar niet laf.

Sjoerd Bakker, de kleermaker van het verzet.

Sjoerd Bakker, de kleermaker van het verzet. Foto: Universiteitsbibliotheek Leiden

Mietjes’ waren het, die homo’s. Veel te vrouwelijk, niet flink, niet dapper. Dat was de heersende opvatting in de oorlogsjaren, niet alleen onder nazi’s. Couturier Sjoerd Bakker en dichter Willem Arondéus waren homo en lid van het kunstenaarsverzet in Amsterdam. Op een avond zat de groep bij elkaar in het atelier van Sjoerd. Het gesprek ging zoals vaak over de vraag wie van hen de oorlog zou overleven. Sjoerd en Willem lieten de anderen beloven dat wie overleefde de mensen moest gaan vertellen ‘dat homo’s niet verwijfd hoeven te zijn’.

De kunstenaars waren vooral actief voor de Persoonsbewijzencentrale, geleid door beeldhouwer Gerrit van der Veen. De centrale had inmiddels duizenden valse papieren in omloop gebracht, waarvan de nummers niet correspondeerden met de administratie op het Bevolkingsregister. Omdat het te gevaarlijk werd, ook voor de Joodse onderduikers in de stad, besloten ze de zaak in de fik te steken. Ze besloten zich te vermommen en als peloton politieagenten eropaf te gaan, de bewaking te overmeesteren en te bedwelmen. De eerste twee pogingen strandden, de derde slaagde grotendeels. De brandweer maakte het af met extra veel bluswater. Het kaartsysteem werd vrijwel onbruikbaar, de actie was geslaagd, maar de Duitsers zonnen op wraak.


Een steentje in de vijver bleek een vloedgolf te veroorzaken. Die ontdekkingsreis naar al die familieleden was het leukst om te doen

Toni Boumans (1944) werkte jarenlang bij de VARA. ,,Mijn interesse voor homoseksuele verzetstrijders is aangewakkerd door Jan Rogier. Die ontmoette ik bij de radio, toen ik Dingen van de dag deed. Rogier schreef destijds voor Vrij Nederland stukken naar aanleiding van het werk van Loe de Jong. Hij zette me op het spoor van Willem Arondéus, die voor de aanslag op het Bevolkingsregister belangrijker zou zijn geweest dan Gerrit van der Veen. Volgens Rogier kende niemand Arondéus, omdat wij Nederlanders na de oorlog liever niet met homoseksuele helden geconfronteerd wilden worden. Of dat zo was weet ik niet, maar ik ben dat verhaal gaan uitzoeken. En omdat ik wel eens wat anders wilde maken dan radio, werd het een tv-documentaire. Ik kwam toen ook al snel op het spoor van Frieda Belinfante, die ook een leidende rol had in het kunstenaarsverzet. Zij was lesbisch en Joods en werd na de oorlog in de VS een beroemde dirigente. Over haar heb ik toen ook een film gemaakt en later het boek Een schitterend vergeten leven geschreven.”

Het kunstenaarsverzet bleef Boumans bezighouden. ,,Met name de persoon van Sjoerd Bakker. Hij ligt naast Arondéus begraven, op de erebegraafplaats in de duinen bij Overveen. Ik had een fotootje van hem gezien, een leuke blonde jongen en ben wat over hem gaan uitzoeken. Dat is nu dus een dik boek geworden, omdat daar het hele verhaal van de familie Bakker uit Friesland achter tevoorschijn kwam, een complete modedynastie. Een steentje in de vijver bleek een vloedgolf te veroorzaken. Die ontdekkingsreis naar al die familieleden was het leukst om te doen. Dat grote gereformeerde gezin in Buitenpost, in het Jeltingahuis, het huidige gemeentehuis van Achtkarspelen. De jongere leden van de familie, de halfzus en -broers van Sjoerd, wisten me nog veel te vertellen over hun oudere broers en zussen, omdat hun vader Miente er veel over sprak. Er kwamen bovendien nog brieven bovenwater, en een cassettebandje waarop de oudste dochter Baukje vertelt over het leven in de villa. Langzamerhand scharrelde ik het verhaal bij elkaar.”

Beurtschipper

Het verhaal van de familie Bakker begint in herberg De Drie Zwaantjes in het schilderachtige Langweer, halverwege de negentiende eeuw. De hervormde Sjoerd Popkes Bakker was de uitbater, tevens stalhouder en beurtschipper. Zijn zoon Popke trouwde met het weesmeisje Dieuwke Althuisius en ging met haar naar de gereformeerde kerk. Toen het gemotoriseerde schip zijn intrede deed, zag Popke geen toekomst meer in Langweer. Hij verhuisde met vrouw en negen kinderen naar het chique Buitenpost en werd beurtschipper op Leeuwarden.

Uiteindelijk zou Dieuwke zeventien kinderen baren, van wie er twee na de geboorte overleden, wat erg weinig was in die tijd. Haar winkeltje in garen, banden, knopen en veters, dat ze aanvankelijk op een tafel achter de voordeur begon, groeide uit tot een klein warenhuis en was de basis voor het latere mode-imperium P.S. Bakker.

Middelste zoon Miente vestigde zich in 1911 in Leeuwarden en begon daar een filiaal van het familiebedrijf aan de Nieuwestad. Aanvankelijk kreeg hij negen kinderen bij Trijntje van der Schaaf, die echter al jong overleed. Miente stond voor de opgave in zijn eentje zijn bedrijf én zijn gezin in goede banen te leiden. Dat hield hij niet lang vol, hij moest de dramatische beslissing nemen zijn kinderen over familieleden in het land te verdelen. Per brief bleven ze intensief op elkaar betrokken. Later zou Miente bij zijn tweede vrouw nog vier kinderen krijgen.

,,Die Bakkers waren mooie, getalenteerde mensen”, zegt Boumans. ,,Als ze bij elkaar waren vertelden ze altijd verhalen, met veel gevoel voor drama en humor. Het was er nooit saai. Ze waren heel ondernemend, trokken de wijde wereld in. De oudste, Popke, begon zijn vader al heel jong te bestoken met vragen over het geloof. Hoe kon het toch dat zij als gereformeerden het ware geloof hadden en al die andere mensen ernaast zaten? Vragen stellen deden ze allemaal, maar Popke was de enige die afscheid nam van de kerk. Hij sloot zich aan bij het Amsterdamse communistisch verzet en werkte voor het illegale Vrij Nederland. Toen hij doodgeschoten werd op de Dam, tijdens de schietpartij op 7 mei 1945, zat vader Miente erover in of hij wel in de hemel zou zijn. Sjoerd, derde in de rij, steunde juist heel erg op zijn geloof. Hij wilde als homo niet opvallen en een zuiver en sereen leven leiden. Met hulp van God kon hij dat voor elkaar krijgen, meende hij.”

Vier van de vijf zoons van Miente hadden gevoelens voor mannen, en van Popke wordt wel beweerd dat hij biseksueel was. Boumans: ,,Over dat laatste heb ik niets kunnen vinden, Popke trouwde met een vrouw. Dirk, de nummer twee, vertelde al op zijn veertiende aan zijn vader dat hij gevoelens voor jongens had. Miente stuurde hem voor advies naar professor Wate-rink aan de VU. Met zijn beste vriendin ging hij erheen en kreeg het advies om te trouwen, wat hij later ook deed. Na Dirk kwam Sjoerd, die zich vlak voor zijn executie symbolisch verloofde met zijn beste vriendin. Albert, van wie in de familie wordt gezegd dat hij latent homoseksueel was, had waarschijnlijk wel contacten met mannen, maar trouwde toch, met Greetje Kazemier. Zij bracht de rust en stabiliteit die hij nodig had. De jongste uit het eerste nest, Lammert, ging als vrijwillig soldaat naar Indië en leefde daarna als homo in Amsterdam, hij bezocht ook ontmoetingsplaatsen. Dat drie homoseksuele Bakkers trouwden had er denk ik mee te maken dat dat hun rust en zekerheid gaf. Niet alleen de gereformeerde kerk, de hele samenleving veroordeelde en verachtte homoseksuelen in die tijd. Door te trouwen vielen ze niet op en konden ze functioneren in de maatschappij. En vader Miente had de hoop dat die gevoelens misschien wel over zouden gaan, dat er door te trouwen ‘genezing’ zou plaatsvinden. Of hij dat van Waterink had, daar heb ik niets over kunnen vinden, dus dat weet ik niet.”

Kulturkammer

Uiteindelijk kwamen alle broers Bakker in Amsterdam terecht. In café Eylders, dat in 1940 opende aan het Leidse Plein en dat nog altijd bestaat, ontmoetten ze elkaar.

Pagina 15Via Popke, die een rubberhandel had en geïnteresseerd was in alle takken van kunst, kwamen ze in contact met de groep rond Arondéus en Bertus Aafjes, die bij elkaar kwamen in De Kring. Voor hen begon het verzet met de weigering zich aan te sluiten bij de Kulturkammer. Neef Bert Bakker, uitgever in Den Haag, was ook vaak in Eylders te vinden. Hij was weer bevriend met Henk van Randwijk, die gereformeerd was en bleef, maar ook oprichter was van Vrij Nederland. Sjoerd ging als couturier werken voor het Joodse modehuis Hirsch en cie aan het Leidsche Plein. Hij raakte via de kunstenaars betrokken bij de Persoonsbewijzencentrale en de aanslag op het Bevolkingsregister.

,,En dan woonde ook nog oom Paul in Amsterdam”, zegt Boumans, ,,de jongste broer van Miente, een diepgelovige man, die geestelijke lectuur en boeken van de VU uitgaf. Hij drukte de illegale kranten Trouw en Vrij Nederland. De verrassing voor mij was dat er onlangs een brief opdook van de weduwe van oom Paul, die over zijn dood gaat. Toen kreeg ik een indruk van hoe gelovig hij was, dat hij alles in Gods handen had gelegd. En dat hij daarom unverfroren Trouw drukte en Vrij Nederland, en allerlei andere verboden geschriften die te maken hadden met het geloof. Hij werd met vijf medewerkers gefusilleerd in Zaandam. Ook hij ligt begraven in de duinen bij Overveen. Een man met een sterke overtuiging, zoals de Bakkers die allemaal hadden. Van daaruit handelden ze. Dan gaan mijn gedachten weer naar Buitenpost, naar de grootvader met de lange baard en de vijftien kinderen, die als gereformeerd man zo’n wuft modehuis begon.”

Over de aanslag op het Bevolkingsregister is een gedetailleerd rapport verschenen. Boumans heeft dat allemaal niet in het boek verwerkt. ,,Ook omdat Sjoerd zelf niet meeging, maar wel de riskante taak had de politie-uniformen na te maken. Voor de Amsterdamse bevolking was de aanslag een opsteker, het inspireerde mensen om vol te houden. De kunstenaars moeten er met veel creativiteit en plezier aan gewerkt hebben. Zo van, kijk ons eens even… Die uniformen passen, oefenen met in de pas lopen, je ziet het voor je. Politiemannen en bewakers hebben verteld hoe het daarbinnen aan toe is gegaan, bijna een Amerikaanse film. Arondéus zei tegen bewakers die gekneveld op de grond lagen: ‘Wees maar niet bang, jullie gaan even slapen en dan word je vanzelf weer wakker.’ Dat hebben ze goed en rustig opgelost met elkaar. Ze wilden per se geen slachtoffers maken. Die uniformen waren door Sjoerd zo goed gemaakt, dat die bewakers geen enkele argwaan hadden.”

Gearresteerd

Toen praatte er iemand zijn mond voorbij. Twaalf leden van de groep werden gearresteerd. Tijdens het proces wilde Arondéus de verantwoordelijkheid voor de aanslag op zich nemen, en anderen vrijpleiten. Sjoerd werd gevraagd of hij een liefdesrelatie had met Arondéus, zoals zijn advocaat beweerde, en zich daarom gedwongen voelde om mee te doen. Hij ontkende. Boumans: ,,Sjoerd wilde niet onder dat mom vrijgelaten worden. En bovendien denk ik ook niet dat het zo was. Sjoerd heeft altijd geprobeerd om sereen en onopvallend te leven, terwijl Arondéus openlijk homoseksueel was en veel over straat schuimde. Dat de homoseksualiteit van Sjoerd heeft bijgedragen aan zijn veroordeling, denk ik niet. Sjoerd en Willem hadden het in de gevangenis wel zwaarder te verduren dan de anderen, zelfs zwaarder dan het Joodse lid van de groep.”

De dag voor de executie kwam de hele familie langs om afscheid te nemen van Sjoerd. Het leidde tot ontroerende taferelen, waarbij Sjoerd hun moed insprak, in plaats van andersom. Baukje vertelde later: ,,Hij was zo veranderd, ook uiterlijk, shining. Hij heeft ons allemaal getroost en zei: ‘Ik wil dat vader voor ons allemaal nog een keer uit de Bijbel leest, Romeinen 8: In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars’.” Voor zijn executie heeft Sjoerd zijn roze overhemd aangetrokken. ,,Dat was geen statement”, benadrukt Boumans, ,,het was toen nog niet bekend dat homo’s in Auschwitz roze driehoeken droegen. Later, toen in de duinen de lijken geïdentificeerd moesten worden, herkenden ze stoffelijke resten van de groepsleden aan Sjoerds roze overhemd.”

Een prangende vraag die na lezing van het boek blijft hangen is of homoseksuelen tijdens de oorlog ook opgepakt werden vanwege hun geaardheid. Boumans denkt van niet. ,,In Duitsland was dat heel heftig, maar in Amsterdam zijn homo’s voornamelijk opgepakt in zedenzaken, een nachtje in de cel en daarna weer vrij. Er zijn wel lijsten gemaakt van mensen die zich homoseksueel gedroegen en aan de nazi’s gegeven. Ik heb ze in mogen zien, Albert Mol en Wim Sonneveld staan daarop, en veel anderen. Maar daar is niets mee gedaan. Zijn ze er niet meer aan toe gekomen? Daar zou nog eens onderzoek naar gedaan moeten worden. Ik vind het wel een angstaanjagend idee dat Nederlanders daar, net als bij de Jodenvervolging, bewust aan hebben meegewerkt.”