Gerard Wolters heeft genoeg ideeën; nu nog de tijd vinden

Meer tijd hebben om zélf films te maken. Dat is wat Gerard Wolters hoopte te krijgen toen hij tien jaar geleden stopte als filmrecensent van het Friesch Dagblad. Hij was op dat moment al drie jaar directeur van het Posthuis Theater in Heerenveen, een functie die - in combinatie met wekelijks bioscoopbezoek en schrijven voor de krant - weinig ruimte liet voor eigen creaties. Afgelopen juni ging hij met pensioen. Aan tijd geen gebrek meer, zou je zeggen.

Gerard Wolters in zijn werkkamer met de flyer die hij maakte voor zijn eerste film, eind jaren zestig toen hij een jaar of zestien, zeventien was.

Gerard Wolters in zijn werkkamer met de flyer die hij maakte voor zijn eerste film, eind jaren zestig toen hij een jaar of zestien, zeventien was.

Zijn wangen kleuren lichtrood. Wat zijn laatste eigen film was? Gerard Wolters schraapt zijn keel. ,,Sjippe”, mompelt hij. ,,In 2001.” Hij maakte de Friestalige korte film in opdracht van de provincie Fryslân. ,,Die had in het kader van het Europees Jaar van de Talen geld beschikbaar.” Sjippe ging in première op het Noordelijk Film Festival van dat jaar. ,,Ik vind het nog steeds een film met heel veel leuke scènes, maar als geheel is hij eigenlijk niet gelukt. Ik weet nog dat de montage klaar was, maar dat ik ’m niet goed vond. Waar gaat het nou eigenlijk over, dacht ik. Maar het festival was twee weken later, dus ik had geen tijd om de film opnieuw te monteren.”

Achteraf gezien had hij moeten zeggen: het wordt 2002. ,,Dan waren we nog wat scènes gaan draaien en had ik ’m opnieuw gemonteerd.” Hoewel hij dat altijd nog eens van plan was, is het er nooit van gekomen. Hij wijst naar zijn werkkamer in z’n huis in Midwolda. Het kan nog. ,,De opnames liggen allemaal nog in de oude brandkast van m’n opa.”

Die brandkast blijkt een schat aan creativiteit te bevatten: oude foto’s, filmmateriaal, scenario’s waar hij nooit iets mee deed. ,,Ik had het me echt voorgenomen toen ik wegging bij het Friesch Dagblad . Ik wilde de wekelijkse tijd die ik besteedde aan het schrijven van filmrecensies gaan benutten om zélf weer iets te maken. Maar voor je het weet, slibt je agenda weer dicht met andere dingen. Bovendien: ik heb ook nog een gezin en familie die altijd heel loyaal aan mij zijn geweest, daar wilde ik toch ook tijd voor overhouden.”

Zelfs van het voornemen om wekelijks naar de bioscoop te blijven gaan, zodat hij op de hoogte zou blijven van de nieuwste producties en ontwikkelingen, is niets terechtgekomen. ,,Onze dochters noemen soms namen die mij niks zeggen”, bekent hij. ,,Toen we nog in de stad Groningen woonden, gingen mijn vrouw Fenna en ik nog wel met enige regelmaat naar het filmhuis, maar sinds we in Midwolda zitten - we wonen hier nu een half jaar - , zijn we niet meer geweest.”

Altijd nummer één

Aan de muur van zijn werkkamer hangt een poster van Moonrise Kingdom (2012) van Wes Anderson. ,,Die hing jarenlang op mijn werkkamer in het Posthuis Theater, om te laten zien dat film altijd mijn nummer één was. Ik vind film nu eenmaal nog leuker dan de podiumkunsten.” De poster herinnert hem elke dag aan zijn voornemen zelf weer films te maken.

Regelmatig is hij in zijn werkkamer te vinden. Dan spit hij zijn fotoarchief door en bladert hij door oude filmscripts, om te zien of daar nog ideeën in zitten die hij wil oppikken. ,,Het lastige is dat wanneer ik een goed script wil maken ik elke dag drie, vier uur moet gaan zitten schrijven. Als er dan gaten van een paar dagen tussen zitten, kan ik het niet.” Hij zucht lichtjes. ,,Ik heb te veel voorbeelden van scripts waar ik met enthousiasme aan ben begonnen, maar die ik nooit heb afgemaakt.” Dan een glimlach. ,,Dat is misschien wel typerend voor mij. Ik heb ook nooit een school afgemaakt.”

Zijn ouders lieten hem ,,megavrij” in zijn doen en laten. ,,Mijn moeder vroeg nooit: ‘is je huiswerk al af?’, terwijl ze zelf lerares was en heel kritisch op onderwijs. Zo mochten mijn broertje, zus en ik niet naar de dichtstbijzijnde school in de stad, maar gingen we naar de christelijke lagere school aan de andere kant van het centrum.” Toen na hun moeders dood in 2000 het ouderlijk huis in Haarlem moest worden leeggemaakt, vond Gerards zus een doos waarin hun moeder allerlei schoolspullen van de kinderen had bewaard. ,,In mijn algebraschriftje stond niks anders dan tekeningetjes en verhaaltjes. En op m’n rapporten stond: Gerard let niet op, Gerard kijkt uit het raam, Gerard zit te dromen.” Achteraf vindt hij het jammer dat hij nooit iets deed op school. ,,Toen ik in militaire dienst moest, heb ik veel vakken van de havo bijgespijkerd, maar een diploma heb ik nooit gehaald.”

Boven de sportschool

Aan zijn jeugd in Haarlem heeft hij goede herinneringen. Een jeugd waarin overduidelijk de kiem ligt van zijn latere werkzame leven. ,,Ik ben geboren in de Jansstraat in Haarlem, boven de sportschool van mijn vader. Die sportschool was gevestigd in een oude schouwburgzaal in hartje centrum. Het podium en het doek zaten er nog in. Mijn vader werkte van maandag tot zondag; gaf les in tafeltennis, badminton, et cetera. Wij speelden als kind altijd in de sportschool. We bouwden er hutten, speelden circus en ik bedacht toneelstukjes die mijn broer en zus moesten spelen.”

De sportschool was een ideale speelplek. Niets was te gek. ,,Mijn vader vond alles goed, zolang we hem maar niet in de weg liepen. Als ik zei: ‘we willen graag een scène spelen en hebben daar een doek voor nodig’, dan pakte hij zijn boormachine en hing een doek op. Anderen zeiden: ‘maar je hebt juist nieuw behang!’ ‘Ach’, zei m’n vader dan, ‘als die jongens dat nou toch willen…’”

Omdat moeder ’s ochtends al vroeg naar haar werk was, verzorgde vader het ontbijt en bracht de kinderen naar school. ,,Hij moest ’s avonds ook aan het werk, dus liepen mijn jongere broertje en ik na school samen naar huis. Wij hadden dan altijd het gevoel dat we konden doen wat we wilden en dachten in onze onschuld dat niemand wist wie wij waren. In werkelijkheid kenden alle middenstanders in het centrum elkaar en wist onze vader precies wat wij onderweg uitvraten. Dan hoorde hij ’s avonds op de sportschool: ‘die jongens van jou waren weer op de steiger’.”

Op stand

Ze woonden in de Jansstraat totdat Gerard een jaar of twaalf was. ,,Toen wilde mijn moeder niet langer boven de sportschool wonen, want in praktijk kwam het er altijd op neer dat ze in de avonduren moest meehelpen.” Het gezin verhuisde naar de Wagenweg in Haarlem-Zuid. ,,Daar heb ik de rest van mijn jeugd gewoond. Een wijk op stand, tegen Haarlemmerhout aan, met veel leeftijdsgenoten. Er was een groot grasveld waarop je kon voetballen, de duinen waren vlakbij en aangrenzend lag een groot braakliggend natuurgebied, dus we hadden een ontzettend groot speelterrein tot onze beschikking.”

Waar Gerard in de Jansstraat al toneelvoorstellingen hield (,,op mijn verjaardag deed ik samen met mijn broertje ieder jaar een revue”), kwamen daar op de Wagenweg wielerwedstrijden en voetbalcompetities bij. ,,Ik was altijd bezig met dingen organiseren en maken. En op de een of andere manier deed iedereen daar altijd aan mee.” Wanneer hij en de kinderen uit de buurt een door hem bedachte revue speelden, maakte hij zelf een programmaboekje. ,,Daarvoor zette ik iedereen in kostuum op de foto met het fototoestel van mijn vader. Als voorbeeld gebruikte ik programmaboekjes van My fair lady en zo, die m’n moeder voor mij meebracht als ze naar het theater was geweest.”

Op zijn zestiende verjaardag kwam mevrouw Koopman, de werkster, met een filmcamera op de proppen. ,,Mevrouw Koopman deed nooit zo veel, behalve als mijn moeder thuiskwam, dan ging ze stofzuigen”, lacht hij. ,,Ik denk dat ze verder vooral mantelzorger was voor mijn grootmoeder die bij ons inwoonde. Afijn, zij had een filmcamera gekregen van haar kinderen uit Australië. Het idee was dat zij filmpjes zou maken van haar leven en die dan op zou sturen naar Australië en vice versa. Zo zouden ze toch wat op de hoogte blijven van elkaars leven. Alleen snapte mevrouw Koopman helemaal niet hoe die camera werkte.” En dus gaf ze hem aan Gerard. ,,Ik ging in de buurt films maken en iedereen deed mee.”

Het was overbuurman Frank die zijn liefde voor film écht aanwakkerde. ,,Hij had de serre van zijn huis verbouwd tot bioscoop, met een groot doek en een projector. Hij wist wat van montage en geluid en sprak mij op een dag aan op straat. Ik mocht zijn spullen gebruiken. Toen kwam ik erachter dat ik met films maken mijn ideeën kwijt kon.”

Talent

Op zijn zeventiende deed hij toelatingsexamen voor de Nederlandse Filmacademie in Amsterdam. Hij werd aangenomen, op basis van zijn talent. Achteraf denkt hij dat directeur Anton Koolhaas en docent Emiel van Moerkerken hem beter hadden kunnen wegsturen om eerst meer levenservaring op te doen. ,,Ik was er nog niet aan toe. Ik kwam uit een warm, comfortabel en beschermd gezin. Alle ellende van het leven ging totaal langs mij heen. En toen zat ik opeens op een school met veel ambitie en ego’s.” Na twee jaar hield hij het voor gezien. ,,Mijn medestudenten waren allemaal ouder dan ik en hadden al een studie afgerond voordat ze van hun ouders naar de filmacademie mochten. Ik kreeg geen aansluiting, ook intellectueel gezien niet. Toen ik wegging, zei Anton Koolhaas wel dat ik altijd later kon terugkomen, maar dat heb ik niet gedaan.”

Nadat hij een jaar in militaire dienst was geweest, vertrok hij naar Engeland. ,,Ik wilde gaan werken in een filmstudio, maar buitenlanders kregen in die tijd - net zoals nu met de Brexit - geen werkvergunning.” Hij besloot toch in Engeland te blijven en werkte een half jaar lang illegaal in hotels, restaurants en hamburgertenten. ,,Ik ben er bewust alleen naartoe gegaan, omdat ik van mijn verlegenheid af wilde.” In het najaar van 1974 kwam hij terug naar Nederland, omdat zijn ouders 25 jaar getrouwd waren. Na het feest wilde hij terug naar Engeland, maar dat liep anders. Hem werd gevraagd filmstukjes te schrijven voor een blad. Bovendien vroeg een oude vriendin uit de buurt hem om op haar middelbare school te helpen met een toneelstuk dat maar niet wilde lukken. ,,En in een van die klassen zat Fenna”, glimlacht hij. Hoewel zij aanvankelijk niks van hem moest hebben, zijn ze inmiddels alweer ruim veertig jaar getrouwd.

De agenda vult zich dus vanzelf weer

Hun oudste dochter - ze zouden er drie krijgen - was net geboren, toen Gerard en Fenna besloten om naar Fryslân te verhuizen. Hier ging hij aan de slag als badmintonleraar; werk waarmee hij al vanaf zijn zeventiende geld had verdiend in de sportschool van zijn vader. ,,Toen ik terugkwam uit Engeland floreerde de sport in het westen van het land. Je kon als leraar een flinke prijs vragen. Dat werk deed ik vooral in de avonduren. Overdag schreef ik stukjes voor filmbladen en werkte ik aan eigen films. Op een gegeven moment werd mij door fotograaf Dick van der Heide, voorzitter van de badmintonclub in Leeuwarden, gevraagd of ik misschien les wilde komen geven.”

Op m’n rapporten stond: Gerard let niet op, Gerard kijkt uit het raam, Gerard zit te dromen

Hij hielp mee de badmintonsport in Leeuwarden op de kaart te zetten. Intussen ging hij aan de slag bij het Friesch Dagblad. ,,Mijn schoonvader in Makkum zei dat ik de krant eens moest bellen, omdat die helemaal geen filmrecensies had, terwijl het volgens hem de beste regionale krant was.” Ype Schaaf, die net hoofdredacteur was, zag er wel iets in. ,,Hij was juist bezig om cultuur een plek te geven in de krant en vroeg me een proefstukje op te sturen.” Hij grinnikt jongensachtig. ,,Ik had een stuk geschreven over de manier waarop de regisseur van de eerste erotische speelfilm de geslachtsdelen van de acteurs in beeld had gebracht. Dat heb ik naar hem opgestuurd. Ype Schaaf zei: ‘je kunt wel schrijven, maar het onderwerp…”

Hij lacht. Hij heeft goede herinneringen aan zijn tijd bij de krant, waar hij behalve over film ook over badminton mocht schrijven. ,,Ik moest regelmatig bij Ype Schaaf op kantoor komen als er een boze lezer was die vond dat ik niet over de blote films van Paul Verhoeven mocht schrijven. Schaaf liet zo’n lezer dan alle hoeken van de kamer zien: ‘Natuurlijk schrijven we ook over seks, dat hoort bij het leven!’ Achteraf zei hij dan tegen mij: ‘Kun je niet een andere film uitkiezen? Ik heb geen zin in deze gesprekken’.”

Ambtenaar geworden

Ruim dertig jaar schreef hij freelance voor de krant. Intussen begon hij onder meer een eigen tekst- en videobureau. Daarmee maakte hij reclamefilms voor bedrijven en bedrijvengidsen voor gemeentes. Zo kwam hij bij de gemeente Heerenveen terecht. Nadat hij in de jaren negentig onder meer de communicatie rond het nieuwe Abe Lenstrastadion had verzorgd, werd hij coördinator sociale vernieuwing en later wijkmanager. ,,Zonder het ooit te ambiëren was ik ambtenaar geworden. In 2005 nam ik ontslag, want ik wilde - ook toen al - weer meer voor mezelf gaan doen. Op dat moment werd me door de gemeente gevraagd om met het Posthuis Theater aan de slag te gaan; toentertijd het zorgenkind van de gemeente.” Hij werd voor twee jaar aangesteld als directeur. ,,We hadden wederzijds de vrijheid om na twee jaar het contract op te zeggen. Ik heb er tot afgelopen juni gezeten.”

Een week vóór zijn afscheid bij het Posthuis Theater verhuisden hij en zijn vrouw Fenna naar Midwolda. ,,We wilden pas na mijn pensioen buiten de stad gaan wonen in een wat groter huis, zodat we wat meer ruimte hebben voor logees. Binnen één dag nadat we ons huis in de stad Groningen te koop hadden gezet werd er al overboden op de vraagprijs.” Toen was er opeens haast geboden om iets anders te vinden. Midwolda lijkt in the middle of nowhere, maar dat valt mee. ,,Het is vijf, zes kilometer fietsen naar het treinstation in Scheemda. Van daaruit ben je in twintig minuten met de trein in Groningen.”

Pensioen

Toen hij in juni met pensioen ging, dacht hij meer tijd te krijgen voor dingen waar hij voorheen niet aan toe kwam. ,,Ik wilde nu echt een filmscript schrijven, zodat ik volgend jaar zomer kon gaan filmen.” Maar het is er nog niet van gekomen. ,,Als je net verhuisd bent, moet er altijd wel een kast in elkaar worden gezet, of een lamp opgehangen. En momenteel zijn we bezig om het toilet op te knappen. Daarnaast zit ik nog in het bestuur van theatergroep Gnaffel, Barokopera Amsterdam en het Toeristisch Netwerk Friese Wouden. De agenda vult zich dus vanzelf weer.”

Daarbij is hij inmiddels voor een half jaar benoemd tot interim-directeur van theater De Koornbeurs in Franeker. ,,Dat is voor zestien à twintig uur in de week. Vooruitlopend op het benoemen van een nieuwe directeur is mij gevraagd om mee te denken over de verdere invulling van de rol en de positie van De Koornbeurs binnen het culturele veld van de gemeente Waadhoeke.”

Hij wrijft over zijn kin. ,,Ik moet eigenlijk een beetje waakzaam zijn dat ik niet ‘ja’ zeg tegen alles wat me wordt aangeboden. Maar als mijn kennis op prijs wordt gesteld ben ik altijd bereid mijn steentje bij te dragen.” Dus of er ooit nog een nieuwere productie komt dan Sjippe… ,,Laat ik het zo zeggen: in mijn werkkamer liggen nog ideeën genoeg waar ik iets mee wil gaan doen.”

Nieuws

menu