Jack Kooistra 90 jaar en nog wild van de swingjazz

Rechtbankjournalist, maatschappelijk werker, voetbalscheidsrechter, personeelschef, chroniqueur van de Tweede Wereldoorlog, nazi-jager. Jacob ‘Jack’ Kooistra (De Westereen, 1930) heeft in de afgelopen 75 jaar vele gedaanten gehad. Bij zijn negentigste verjaardag blikt hij terug en vertelt hij over zijn passies.

Jacob ‘Jack’ Kooistra (De Westereen, 1930) heeft in de de afgelopen 75 jaar vele gedaanten gehad. Bij zijn negentigste verjaardag blikt hij terug en vertelt hij over zijn passies.

Jacob ‘Jack’ Kooistra (De Westereen, 1930) heeft in de de afgelopen 75 jaar vele gedaanten gehad. Bij zijn negentigste verjaardag blikt hij terug en vertelt hij over zijn passies. Foto: Marchje Andringa

Zijn feilloze geheugen geeft nog altijd de namen van alle betrokkenen bij de anekdotes prijs, plus hun geboorte- en woonplaats en hun professie. Heel vaak besloten met de frase ‘helaas ook al overleden’. Wie ouder wordt, wordt almaar eenzamer. ,,Gelukkig is het in de bovenkamer allemaal nog in orde”, stelt Jack Kooistra regelmatig tevreden vast.

Komende week wordt hij negentig jaar. Hoogbejaard, mag je inmiddels wel zo langzamerhand stellen, maar onveranderd onvermoeibaar. Nog altijd komt hij dagelijks - ook in het weekend - op de fiets naar de redactie van het Friesch Dagblad, waar hij een werkplek heeft.

Elke dag werkt hij vier tot zes uren aan de digitalisering van zijn werk: handgeschreven kaartjes met 180.000 namen en personalia van slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Die komen allemaal op www.wo2slachtoffers.nl. Dagelijks heeft hij via telefoon en e-mail contact met ooggetuigen, nabestaanden, onderzoekers, journalisten, noem maar op. Velen moeten nog wat van Jack Kooistra, echtgenoot, vader van één zoon en één dochter, opa van twee kleinkinderen en twee achterkleinkinderen. Op zijn negentigste staat hij nog midden in het werkzame leven. Pro Deo wel te verstaan: meer dan een AOW heeft hij niet.

Hij zit nooit om een praatje verlegen. Zijn bureau heeft de meeste aanloop van het kantoor. Zijn vaak gepeperde mening doorspekt hij met mooie archaïsmen, zodat woorden als non-sensicaal, gueridon en entrefiletje niet in de vergetelheid van de moderniteit verdwijnen.

De veelvuldig gedecoreerde Kooistra - de meeste waardering heeft hij zelf voor de Zilveren Anjer die hij uit handen van prinses Beatrix kreeg - vertelt zijn verhaal aan de hand van een zevental namen en kernwoorden die hem definiëren.

Den Haag

,,Altijd als ik terugkom in Den Haag, denk ik: heerlijk, ik ben weer thuis. Ik heb me altijd een halve Hagenees gevoeld. Dat is begin jaren vijftig begonnen, in militaire dienst. Ik was gekazerneerd in de Alexanderkazerne in de Javastraat. Soldaat der eerste klasse was ik in die tijd; sepandri , zouden we in het Maleis zeggen. Als we vrij waren, gingen we natuurlijk altijd de stad in.

Later, half jaren vijftig, verbleef ik in een pension garni aan de Sumatrastraat en werkte ik bij de Oorlogsgravenstichting aan het Bankaplein. En weer een paar jaar later reisde ik dagelijks per trein uit Leeuwarden naar Den Haag om onderzoek te doen in het archief van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger aan de Hoefkade. Ik had daar toen te maken met Arie van der Meer, die weer een zwager was van scheidsrechter Leo van der Kroft en zo kreeg ik - ‘we zijn toch scheidsrechters onder elkaar’ - de sleutel van het KNIL-archief, zodat ik er altijd binnen kon.

Weer later volgde ik een studie voor archivaris - een verrekte moeilijke studie, overigens - aan de Laan van Meerdervoort en studeerde af in een bedrijfsarchief aan de Laan Copes van Cattenburch.

En wie ontmoet ik als scheidsrechter in het betaald voetbal? Aad Mansveld. Het klikte tussen ons. Hij had dat prachtige Haagse accent en die mentaliteit van niet lullen maar poetsen, een grote mond en een klein hartje en was typisch zo’n ruwe bolster met een blanke pit. Dat heb ik ook wel een beetje in mij. Geen kapsones, zoals bij dat 020-gespuis.

En de vrouw van mijn zoon Jacques is ook Haagse. Ze wonen in Zoetermeer en hij heeft lange tijd een seizoenskaart voor ADO Den Haag gehad.”

Jazz

,,Kort na de bevrijding raakte ik verslingerd aan de jazz, meegenomen door Canadese militairen. Ik luisterde naar een Amerikaanse radioshow op de Duitse middengolf: Bouncing in Bavaria van Chris Howland. En op zaterdagmiddag naar Swing and Sweet from Hollywood and 52nd Street van Pete Felleman van de VARA. Schitterend vond ik die muziek: Stan Kenton, Lionel Hampton, Dave Brubeck, Duke Ellington, Glenn Miller, Frank Sinatra. Swingjazz, bigband en dixieland. Ik heb ook nog eens tien pianolessen gehad, want ik was ook helemaal wild van Ray Charles, Count Basie, Sarah Vaughan, Ella Fitzgerald, Rita Reys, Pia Beck.

Je kon plaatjes aanvragen. In die tijd had ik verkering met een zekere Annie Visser. Zaten we samen te luisteren - tv was er natuurlijk niet - en hoorden we ‘This record is from Jack for his love Annie from Holland’. En dan werd In the Mood van Glenn Miller ingestart.

Ik bezocht in die tijd ook jazzconcerten. Lionel Hampton in de beroemde jazzclub Sheherazade in Haarlem. En de nachtclub Walhalla aan de Tweebaksmarkt in Leeuwarden. Ik was een snotaap van achttien, en je mocht er pas op je 21e in, maar dan zei ik tegen de portier dat ik net 21 was geworden. Ik kon geweldig swingen, en ik was ook een goede tapdancer. Dan hoorde je Hey ba-ba-re-bop van Lionel Hampton of Sing sing sing van Benny Goodman - en dan ging het wíld joh.

Ik moet niks hebben van die moderne fratsen in de muziek. Vooral dat stompzinnige rappen vind ik een verschrikking.

In dienst stelde ik met een groepje de programma’s samen voor de kadi, de kantinedienst. We richtten een close-harmonykoortje op: The Angels. In mijn jeugd had ik in het jongenskoor van de gereformeerde kerk in Murmerwoude gezongen, dus ik kon wel een beetje zingen. We traden op in kazernes in Assen, Garderen, Steenwijk, noem maar op. Ik zong onder anderen met Jan Smal, de broer van de beroemde trompettist Cees Smal. We zongen al die jazzklassiekers: Chattanooga Choo Choo, Sentimental Journey, In the Mood. En we hadden totaal geen last van plankenvrees. Ooit zongen we op een feestavond in Bang Buan, niet ver van Bangkok. Kunnen jullie niet iets in het Hollands zingen?, vroegen ze. Toen deden we Ouwe Taaie en De Klok van Arnemuiden. Schitterend was dat. Ik denk dat er wel drieduizend man op dat plein stond.”

De hardloper

,,In Indië werd ik gebombardeerd tot sergeant sportinstructeur, terwijl ik daar helemaal niet in gediplomeerd was. Maar ik was de jongste cursist scheidsrechter bij de KNVB en ik had wat aan sport gedaan bij Kraantje Lek in Overveen en in Hooghalen.

Ik heb jarenlang hardgelopen, maar dat gaat nu echt niet meer. Het is nog niet zo gek lang geleden dat ik ’s ochtends vroeg voor het werk even naar Hurdegaryp op en neer liep, of een rondje Alddiel-Suwâld, of Goutum-Idaerd-Swichum-Wirdum. De laatste jaren kwam ik niet verder dan drie tot vijf kilometer.

Maar drie maanden geleden ging het ineens niet meer. Ik naar de fysiotherapeut. Die zei: meteen stoppen, je hebt spierkrachtverlies, slijtage aan je knieën, leg je er maar bij neer. Het is mijn pandoer.

Ik kan het niet verkroppen dat ik fysiek achteruit ga. Ik kan er maar geen vrede mee hebben. Ik ga nog iedere dag op de fiets naar de krant. Vroeger deed ik nog veel aan wielrennen. Ik heb begin jaren tachtig nog eens een bekertje voor de meest strijdlustige renner van de Ronde van Surhuisterveen gewonnen. Joop Zoetemelk won die editie en Joop Atsma deed de prijsuitreiking. Ik reed in die tijd zó een rondje Slappeterp-Tzummarum-Sexbierum-Harlingen-Kimswerk-Winsum en terug.”

Klademak

,,Ik zie ons nóg liggen. Er was niets aan de hand. Het was geen patrouille; we wandelden gewoon om de omgeving van Klademak in Nieuw-Guinea wat te verkennen. Ineens werden we beschoten vanaf de goenoeng , de berg. In wereldrecordtempo lagen we op de grond en ik zag de kogels vlak voor mijn neus in de grond inslaan. Ik lag vlakbij mijn maat Baardmans uit Rhenen - hij werkte in Ouwehand’s Dierenpark. Ben je bang?, vroegen we elkaar. Nee joh, ben je gek, zeiden we. Ik zal je zeggen: in werkelijkheid deden we het in alle kleuren, inclusief bruin. In tijgersluipgang wisten we de beschutting te bereiken. Als het betere schutters waren geweest had ik hier niet gezeten en het enige wat ik dacht was: niet sneuvelen, want dan kom ik op een of ander ereveld ver van huis te liggen.

Het was 1952 en ik zag in een split second mijn nog korte leven aan mijn geestesoog voorbij trekken. Ik zag mezelf hand in hand met mijn moeder op mijn verjaardag in 1934, toen ik een sinaasappel kreeg van buurvrouw Jaantje.

Jarenlang heb ik hier geen last van gehad. De laatste tien, twintig jaar komt het terug. Als ik een knal hoor, of vuurwerk met oudjaar, dan zie ik me weer daar op de grond liggen en zie ik die kogels weer inslaan. ’s Nachts lig ik het soms her te beleven. Dan hoor ik ’s ochtends van mijn vrouw Edy: je was vannacht ook weer in de tropen. Daar weet ik dan niks meer van, maar dan zal ik wel hebben liggen spoken.

En dan vraag ik me ook af waar ik het allemaal voor gedaan heb. Het is allemaal zo betrekkelijk. Op de Nederlandse erevelden in Indonesië liggen 5500 mannen en vrouwen die letterlijk voor niets zijn gesneuveld. Alleen maar omdat Nederland coûte que coûte wilde vasthouden aan het koloniaal bezit. Je kunt je voorstellen dat ik een diepe aversie koester tegen het politieke gespuis. De enige die ik hoog heb zitten is Willem Drees: eerlijk en betrouwbaar. De enige.

Bij de Dienst Identificatie en Berging heb ik vanaf mijn demobilisatie in 1957 honderden slachtoffers van de oorlog geïdentificeerd. De jongste was zestien en de oudste 65. Dat was geen kattenpis: we groeven verminkte lichamen op, sommige piloten konden we alleen identificeren aan de hand van hun naamplaatje. Ik heb vanaf het begin gezegd: geen kinderen. Dat wilde ik niet. Kinderen kan ik niet hebben. Dat bleek een jaar of tien geleden toen ik Auschwitz bezocht. Vitrine 14. De babykleertjes. Ik kon geen stap meer verzetten. Terwijl ik toch een geharde jongen ben.”

Mijn vrouw kookt elke dag Indisch eten voor me, ik zou niet weten wanneer ik voor het laatst kentang, aardappels, heb gegeten

,,Toch heb ik nog altijd nostalgie voor de tropen. Dat heeft iedereen die in Indië is geweest. Het gaat toch altijd weer daarover, hoewel natuurlijk niet alle herinneringen even mooi zijn. Op veteranendagen zitten de Korea- en Indië-veteranen altijd bij elkaar en is het sobat zus en sobat zo, we zijn elkaars vrienden. Wij hebben ook niks met de jongere veteranen, en andersom.

Ik gebruik nog altijd Maleise woorden. Selamat pagi, goedemorgen; saya musti berak, ik moet naar de wc; ik zeg nooit banaan, maar altijd pisang; woorden als ‘getjingtjangd worden’ gebruik ik nog; mijn vrouw kookt elke dag Indisch eten voor me, ik zou niet weten wanneer ik voor het laatst kentang, aardappels, heb gegeten.

Op de veteranendagen zijn steeds minder bekenden. Iedereen om me heen gaat dood. Ik mis de negen man van mijn groep. Ik ben de laatste van mijn peloton die nog in leven is. Eén buurman leeft nog; wij zijn waarschijnlijk de laatste twee Indië-veteranen van Leeuwarden. Maar goed: c’est la vie.”

Herbertus Bikker

,,In de oorlog begon ik met het verzamelen van knipseltjes uit de krant.

Gesneuvelden, gevallenen, gefusilleerden, slachtoffers. Het is nooit meer opgehouden. Mijn beppe Griet, een zeer erudiete vrouw die bij de sekte De Gemeente des Heeren zat, zei: je moet naast De Telegraaf en de Bijbel ook communistische kranten lezen; je moet je zo breed mogelijk informeren. Je moet niet alleen De negerhut van Oom Tom lezen, maar ook boeken over flora en fauna, over geschiedenis, over de boekdrukkunst.

Ik was, zoals ze dat toen noemden, een voorlijk jongetje. Op vijfjarige leeftijd leerde ik lezen, schrijven en rekenen van mijn omke Eelke en ik sloeg klas 1 grotendeels over. Alleen bij tekenen en gymnastiek deed ik mee met mijn leeftijdgenoten. Ik ging ook niet veel met de dorpsjeugd om. Niet uit arrogantie, maar ik had geen connectie met hen. Mijn vrienden waren Hans Keuning en Paul Gaaikema. In 1942 zou ik naar de Rijks-HBS aan het Zaailand gaan, maar door de oorlog werd het eerst de mulo. Later gymnasium alfa en daarna de sociale academie.

Bij mijn zoektocht naar slachtoffers ben ik ook ruim honderd nazi’s tegen het lijf gelopen. Dirk Hoogendam, Jacob Luitjens, Klaus Epskamp, Herbertus Bikker. Die laatste is als het ware mijn grote Nemesis in mijn strijd tegen het kwaad. Hij woonde in Hagen-Haspe. Aan de Dickenbruchstrasse siebenundsiebzich. Toen we hem opspoorden deden we een buurtonderzoek. ‘Das ist ein ganz anständiger Mensch’, zeiden zijn buren. Mij kon hij wel schieten. Tijdens zijn proces vloog hij mij aan. ‘Sie sind noch immer ganz frech’, u bent nog altijd een brutale aap, zei ik tegen hem. Je kunt het op YouTube nog zien.

Die SS’ers interesseerden me niet eens zo. Ik deed het voor de nabestaanden van hun slachtoffers. Dat is altijd mijn drijfveer geweest. Je kunt je niet voorstellen hoe dankbaar die mensen zijn. Ik weet nog dat een vrouw me huilend om de nek viel om me te bedanken dat deze ploert eindelijk berecht was.”

Rypke Zijlstra

,,Ik had graag psycholoog geweest willen zijn. Ook rechter of officier van justitie had ik een mooi beroep gevonden. Maar aan de andere kant ben ik altijd die nieuwsgierige journalist geweest en dat had ik voor geen goud willen missen. Als je naar mijn oorlogsarchief kijkt: ik heb zaken boven water gehaald waar nooit iemand in is geslaagd. Waarheidsvinding is een van mijn drijfveren. Daar ben ik meer dan tevreden over. Ik heb mensen troost gegeven. Daar heb ik het altijd voor gedaan. Ik heb altijd een speciaal plekje gehad voor de zwakkere, de zieke, de gehandicapte, de armoedige. Op school was Rypke Zijlstra zo’n beetje mijn protégé. Hij had een lam handje en een lam voetje. Ik koos hem altijd als eerste bij het voetballen. Ik had oog voor hem - daarom wilde ik misschien ook wel maatschappelijk werker worden. Na zijn overlijden kreeg ik een bedankbrief van zijn weduwe, dat dat zo veel voor hem betekend had.

Kijk: ik heb mijn langste tijd hier op aarde gehad. Ik blijf doorwerken zolang het kan, maar als ik op aarde het eeuwige leven had, zou ik nog tijd tekort komen. Ik ben aan het afscheid nemen van mijn werk en mijn leven. De laatste jaren ben ik mijn archief aan het onderbrengen, onder meer bij het Militair Mobiel Depot in Loosdrecht.

Gelovig ben ik al heel lang niet meer. Mijn moeder was vrijzinnig hervormd en mijn vader gereformeerd. In 1944, op het heetst van de oorlog, vond er een kerkscheuring plaats. Mijn vader ging naar de vrijgemaakte kerk. Van de ene op de andere dag mocht ik niet meer met mijn vriendjes omgaan. Mijn twee broers zijn die dag atheïst geworden. Ik ging voortaan naar de rooms-katholieke kerk in Dokkum. Het was of er een wollen deken van me afviel. Je mocht ineens op zondag zwemmen en fietsen en zomerkleding dragen. Sporten mocht na elf uur ook. Aan de rituelen heb ik nooit meegedaan. Ik ga niet voor zo’n altaar knielen. ‘Dan kan ik net zo goed voor de tuinkabouter knielen’, zei ik tegen de pastoor.

Bij ons thuis hangt nog een crucifix en een rozenkrans. Maar ik heb lang geleden mijn geloof verloren. In retrospectie denk ik dat dat bij de Dienst Identificatie en Berging gebeurd is. Hoe kunnen die verminkte lichamen nou verrijzen? En bij een crematie: hoe kan die as nou verrijzen? Na mijn dood leef ik voort in mijn werk. Mijn boeken blijven.

Paradoxaal genoeg zeg ik nog wel iedere ochtend een dankgebed. Dat zal wel een automatisme zijn dat er vroeger is ingeslepen. Dan dank ik Onze Lieve Heer dat ik er nog ben en dat ik deze dag nog mag beleven.”

Nieuws

menu