Crisis in Libanon te wijten aan falende sektarische politiek, Libanese politici geven geen prioriteit aan landsbelang en voeren hun land naar de afgrond

Libanon zit bijna een jaar zonder regering. Voor veel Libanese politici is het landsbelang de allerlaatste prioriteit. Dat verklaart ook waarom de internationale gemeenschap niet staat te springen om het land opnieuw uit de brand te helpen. De crisis in Libanon wordt vooral gezien als het gevolg van eigen Libanees falen.

Demonstranten verbranden afval en autobanden in Beiroet uit protest tegen de stroomonderbrekingen en de hoge kosten voor levensonderhoud.

Demonstranten verbranden afval en autobanden in Beiroet uit protest tegen de stroomonderbrekingen en de hoge kosten voor levensonderhoud. Foto: AFP

De Wereldbank waarschuwde onlangs dat de huidige economische crisis in Libanon de ergste in zijn soort is die de wereld sinds 1850 heeft gezien. Crises zijn in het kleine land van de ceder niet ongewoon. In het verleden zorgden westerse en Arabische bondgenoten van Libanon altijd voor een noodoplossing. Libanon dankte deze luxe positie aan het feit dat het werd gezien als het bewijs dat islam en christendom wel degelijk vreedzaam naast elkaar konden existeren.

Op 1 juli vond er in het Vaticaan een speciale gebedsdag plaats voor Libanon die door de belangrijkste kerkleiders in dit land werd bijgewoond. Paus Franciscus onderstreepte bij die gelegenheid nogmaals het unieke karakter van Libanon waar moslims en christenen in vrede samenleven. Dat deze beide religieuze communiteiten elkaar in de jaren zeventig in een bloedige burgeroorlog naar het leven hadden gestaan, deed niets af aan deze standaardvisie op Libanon waar achttien verschillende religieuze gemeenschappen officieel worden erkend.

Corrupt

De diverse geloofsrichtingen hebben met elkaar gemeen dat hun politieke leiders corrupt zijn en slechts gedreven worden door zelfinteresse. Decennialang tierden corruptie en nepotisme welig en iedereen wist dat het rot in de fundamenten van de staat zat. Politieke verlamming die zich vertaalde in presidents- en regeringloze periodes leken tot het Libanese levensritme te behoren. Deze geleidelijke erosie van de Libanese staat kwam om allerlei redenen eind 2019 plotseling in een stroomversnelling en het heeft er alle schijn van dat de totale ineenstorting van Libanon niet meer te stuiten is.

Wat dit voor het Midden-Oosten zou betekenen blijft voorlopig koffiedik kijken. Vrijwel alle landen van het Midden-Oosten kennen autoritaire regimes die soms verkiezingen toestaan om een façade van democratie omhoog te houden. Naast Israël was Libanon feitelijk de enige staat in de regio die naar westerse maatstaven in theorie democratisch genoemd kon worden. Wat voor een signaal zal ervan uitgaan naar de volkeren in de regio als dit reeds in een comateuze staat verkerende Libanon politiek en economisch inderdaad officieel bankroet wordt verklaard?

Tijdens de recente bijeenkomst van de landen van de G20 in het Italiaanse Matera, bleek dat de internationale gemeenschap doordrongen is van het feit dat er iets moet gebeuren in Libanon. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Antony Blinken sprak hier met zijn Saudische en Franse collega’s Faisel bin Farhan en Le Drian over het Libanese drama en besloten werd om gezamenlijk druk uit te oefenen op de Libanese politieke elites. Libanon zou op korte termijn kunnen overleven door een lening van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) dat als voorwaarde economische en politieke hervormingen eist in Libanon. Dit zou echter een einde maken aan de privileges van de Libanese politici en daarom liepen de onderhandelingen met het IMF op niets uit.

Schaamteloos

De Israëlische geleerde dr. Edy Cohen vergeleek Libanon ooit met een maffia-staat. De 128 leden van het Libanese parlement en de ministerraad plunderen de schatkist via een schimmig web van zaken, hotels, winkels en ontroerend goed dat ze achter de schermen runnen. Ze worden bediend door cliënten die van hen afhankelijk zijn en die voor hun steun geld ontvangen. Libanon wordt volledig gecontroleerd door een kleine kring van families die zowel rijk als corrupt zijn.

Velen van hen, zoals president Aoun en de Libanese politicus Samir Geagae, zijn warlords uit de Libanese burgeroorlog en hun posities van weleer wisten ze politiek te verzilveren. Het politieke nepotisme in Libanon is zelfs voor Midden-Oosterse begrippen ongehoord en schaamteloos. De twee dochters van president Aoun bijvoorbeeld werken beiden als diens presidentiële adviseurs terwijl zijn schoonzoon Bassil minister van Buitenlandse Zaken is. Het illustreert het Libanese systeem waarin politici op basis van hun connecties worden benoemd en niet op grond van hun professionele kwalificaties.

De moord op de soennitische premier Rafiq al-Hariri in 2005 deed de Libanese staat op haar grondvesten schudden. De verdenking viel onmiddellijk op de sjiitische Hezbollah en Syrië dat tot op dat moment de Libanese buur controleerde. De Libanezen gingen massaal de straat op en eisten het vertrek van de Syrische soldaten in hun land.

Onder zware internationale druk zag Damascus zich gedwongen om inderdaad de Syrische militairen terug te trekken uit Libanon. Politiek vertaalde deze Cederrevolutie zich in de oprichting van de ‘alliantie van de 14-de maart’ (genoemd naar de datum van de Cederrevolutie) die pro-westers was en die werd gesteund door Saudi-Arabië. Als antwoord hierop ontstond de ‘alliantie van de 8-ste maart’ (op die dag in 2005 was er een demonstratie tegen de Cederrevolutie) die pro-Syrië was en die sympathiek stond tegenover Iran.

De moord op Rafiq al-Hariri heeft Libanon diep verdeeld waarbij de breuklijn tussen de sjiitische en soennitische aanhangers van de islam nog dieper werd. De Libanese christenen kwamen in een situatie terecht dat ze moesten kiezen tussen het soennitische blok dat door Rafiq’s zoon Saad al-Hariri werd aangevoerd of het sjiitische blok dat werd gedomineerd door Hezbollah. De christelijke ‘Patriotische Beweging’ van de huidige Libanese president Michel Aoun ging bijvoorbeeld een alliantie aan met Hezbollah, wat in de Libanese context betekende dat ze pro-Iran en pro-Syrië was.

Cederrevolutie

In oktober 2019 leek er plotseling licht te dagen aan de uitzichtloze Libanese horizon. Er ontstond een protestbeweging die de corruptie en het falen van de politieke klasse in Beiroet aanklaagde. De reacties van de politici hierop waren veelzeggend. Volgens president Aoun hadden de anti-corruptie-demonstraties als doel om sektarische verdeeldheid te zaaien. Deze woorden van de president illustreerden hoe ver de politieke klasse in Libanon verwijderd was geraakt van de realiteit. De demonstranten van de protestbeweging waren namelijk afkomstig uit iedere klasse en religieuze denominatie.

Libanon was op een dood spoor terechtgekomen en veel Libanezen dachten dat het niet erger kon worden, maar ze werden hierbij in het ongelijk gesteld op 4 augustus 2020. Een explosie in de haven van Beiroet verwoestte een groot gedeelte van de stad en maakte ruim 300.000 mensen dakloos. Grote delen van Beiroet veranderden in een troosteloos maanlandschap dat op lugubere wijze het failliet van Libanon leek te illustreren.

De ramp in Beiroet leidde tot de val van de regering van premier Hassan Diab. Volgende maand zal dit een jaar geleden zijn maar Libanon zit nog steeds zonder regering. Ruim 50 procent - en volgens sommige doemdenkers zelfs 80 procent - van de Libanese bevolking leeft onder de armoedegrens. Helaas is gebleken dat ook dit gegeven niet tot enige urgentie bij de Libanese politici leidt.

In het verleden werd in westerse hoofdsteden wel de vraag gesteld hoe men Libanon kon redden. De vraag luidt nu eerder óf Libanon nog te redden is. Het is een drama voor alle Libanezen, maar speciaal voor de christenen. Toen Libanon op 22 november 1943 zijn onafhankelijkheid verwierf van de Fransen, kende het land demografisch een christelijke meerderheid van 58 procent. Anno 2021 is dit in het beste geval nog zo’n 35 procent. De nieuwe aanstaande exodus van christenen uit Libanon die in hun eigen land geen enkele toekomst meer zien heeft niets te maken met islamitisch radicalisme of vervolging. De eigen christelijke politici zijn hier debet aan.

Martin Janssen is arabist. Hij woont in de Jordaanse hoofdstad Amman