Logeren bij heit en mem in Ferwert

Jan Binnema belandde als zes weken oude baby in het najaar van 1943 vanuit Amsterdam in Ferwert. Hij was vermoedelijk een van de laatste Joodse kinderen die onderdoken in Fryslân. Nooit eerder deed hij zijn verhaal in de media. Nu is het moment daar, als eerbetoon voor zijn heit en mem: Jaap en Tine Binnema.

Henke de Jong (links) werkte als tienjarig dienstmeisje bij de familie Binnema, rechts haar vriend Hendrik Kroes in Blije.

Henke de Jong (links) werkte als tienjarig dienstmeisje bij de familie Binnema, rechts haar vriend Hendrik Kroes in Blije. Foto: Karen Bies

Twee jaar zou hij er blijven, op het Noord-Friese platteland. Maar zijn leven lang zal Jan Binnema - niet zijn echte naam - een band houden met Fryslân, en met zijn pleegouders, die hij heit en mem noemde.

De enige tastbare herinneringen die hij heeft aan zijn jaren in Fryslân zijn drie zwartwitfotootjes: van hemzelf als dreumes op schoot bij zijn pleegouders, met een gieter in de tuin en een luchtfoto van de boerderij tussen Ferwert en Blije. Ze staan in lijstjes op het dressoir in zijn woonkamer. De nu 76-jarige Binnema heeft ze meegenomen naar het hotel in Hilversum waar hij zijn verhaal doet.

Op 16 oktober 1943 werd hij geboren in De Joodse Invalide in Amsterdam, dat na de oorlog het Weesperpleinziekenhuis zou worden. ,,De meeste razzia’s waren toen achter de rug. Mijn vader en grootouders waren al naar Westerbork afgevoerd, mijn moeder was tot dan toe de dans ontsprongen. Toen ik geboren was, heeft mijn moeder mij wekenlang verborgen in een kistje onder haar benen in het ziekenhuis. Op een zeker moment, toen het te gevaarlijk werd, heeft ze mij ter onderduik afgegeven.”

Het was een groot bedrijf, er moest veel gebeuren. Ik heb er groene vingers aan overgehouden

Jan weet dat zijn moeder via Westerbork in Theresienstadt is terechtgekomen. ,,Zij en mijn grootmoeder hebben de oorlog overleefd.” Zijn vader heeft waarschijnlijk in Auschwitz en nog enkele andere kampen gezeten en is op 5 januari 1945 in Dachau vermoord; ook de rest van de familie overleefde de oorlog niet.

Oecumenisch drietal hielp tientallen kinderen

Tientallen van de Joodse kinderen die vanuit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam naar Fryslân werden gesmokkeld, kwamen in en rond Sneek terecht. De coördinatie daar was in handen van de kapelaan, de doopsgezinde dominee en de hervormde hulppredikant. Doktersvrouw Tal Gerritsma en een verzetsman 'Firma' speelden ook een hoofdrol.

Intussen zat kleine Jan veilig in Fryslân. Hoe hij daar terecht is gekomen weet hij niet precies. ,,Het enige wat ik weet is dat ik eind november via ene dominee Molijn bij dominee Boeke in Hegebeintum kwam. Die heeft me bij mijn pleegouders op de boerderij ondergebracht.”

Die pleegouders waren Jaap en Tine Binnema, een kinderloos echtpaar met een grote boerderij dat meerdere onderduikers in huis had. ,,Ze hadden betengeld behang. Er zat dus ruimte tussen het behang en de muur: een ideale verstopplek.”

De Joodse baby zat na zes weken nog altijd op zijn geboortegewicht van amper vier pond. ,,Dus kreeg ik ieder uur een lepel water met melk. Daarmee hebben ze mij in leven gehouden.”

‘Dit is net bêst’

De zeventiger heeft geen herinneringen aan die twee jaar; wat hij weet heeft hij gehoord van Henke de Jong, die destijds als tienjarig dienstmeisje bij de familie werkte en met wie hij nog altijd contact heeft. Nog altijd woont de nu 87-jarige Henke de Jong in Blije. Ze werd geboren op een boerderij even buiten het dorp, naast die van de Binnema’s. Later verhuisde ze naar de dorpskern.

En óf ze nog herinneringen heeft aan de oorlogstijd. ,,Ik wurke der as tsjinstfaam. Ik sjoch de bernewein mei Jan deryn noch foar my”, vertelt ze. Ze wandelde en fietste wel met de Joodse baby. ,,Dan hie ik him foar op ’e fyts.”

Ze kan zich herinneren hoe ze schrok toen ze op een dag twee Duitsers tegenkwam. ,,Ik tocht: dit is net bêst. Ik sei tsjin Jan: sjoch dêr yn ’e greide, op nei Hegebeintum! Ik wit net oft sy wat trochhiene, ik bin gau trochfytst. Ik wie al lang bliid dat ik trochfytse koe.”

Ja, ze realiseerde zich als tienjarig meisje goed dat het om een Joods jongetje ging. ,,Je wiene bang. Hy moast beskerme wurde. Yn Ferwert siet doe in ferrieder, dat wie wol bekend. Dêr moasten je wol rekken mei hâlde.”

Ook bij haar thuis zat een onderduiker. ,,Us heit siet yn de ûndergrûnse. Wy hiene noait tekoart oan iten en drinken. Wy hiene molke, ierappels, nôt. Trochdat wy in buorkerij hiene, koene wy útdiele.”

Vreemde vrouw

Na afloop van de oorlog woonde Jan nog een half jaar bij zijn pleegouders. ,,Zij waren van mij gaan houden, dus het was verschrikkelijk voor hen om het kind weer te moeten afstaan. Mijn moeder, die was teruggekeerd uit de kampen, begreep dat en is daar op een heel goede manier mee omgegaan. Ze kwam regelmatig op bezoek, maar haalde me pas na een half jaar echt op, zodat zij konden wennen aan het idee. Net als ikzelf, want in het begin wilde ik natuurlijk niets van mijn moeder weten, dat was een vreemde vrouw voor me.”

Ook Henke de Jong weet dat nog. ,,Dat wie net leuk, dat wie tryst. Hy woe eins net nei syn echte mem. En de Binnema’s hiene der miskien wol op rekkene dat it bern by harren bliuwe soe. It wie eins de bedoeling dat it jonkje fuortgong, mar dat koe net. Der wie mear tiid foar nedich.”

Een Joods drama in historisch perspectief

Maar na de gewelddadige ontruiming van de joodse psychiatrische instelling Het Apeldoornse Bosch wisten Jacob en zijn vriendin Betsy - die Jacob ondertussen had leren kennen in het ziekenhuis - dat vertrekken de enige optie was. Aangezien Betsy uit Steenwijk kwam, kon de familie via contacten in de kop van Overijssel onderduiken.

Het contact bleef; tot en met zijn tiende ging Jan elke schoolvakantie logeren op de boerderij. Hij bewaart er warme herinneringen aan. ,,Die logeerpartijen waren één groot feest.” Hij bleef ook Henke zien. ,,Hy hat in protte by ús boarte op ’e pleats”, herinnert ze zich. Jan maakte er vriendjes, genoot van de natuur en de dieren op de boerderij; de koeien, paarden, kippen en schapen. ,,Ik ging ook mee naar de veemarkt in Leeuwarden en ik hielp met het boerenwerk: bieten rooien, koeien melken. Het was een groot bedrijf, er moest veel gebeuren. Ik heb er groene vingers aan overgehouden.”

Hij herinnert zich Jaap als ,,een boom van een man”, met ,,handen als kolenschoppen”. En ook Tine was groot. ,,Ze gaven me een veilig gevoel.”

Meestal haalde Jaap het jongetje uit Amsterdam op met de trein; eenmaal, toen hij van zijn vierde tot zijn vijfde met zijn moeder in Limburg woonde, gebeurde dat met het vliegtuig. ,,Leeuwarden had een vliegveld, Maastricht ook, dus dat was de kortste weg. En hij kon het kennelijk betalen. Dat was natuurlijk uniek.”

Lastige knaap

Jan is zijn moeder dankbaar voor de vakanties die hij mocht doorbrengen in Fryslân. ,,Zo heeft ze de band die ik met mijn pleegouders had op een schitterende manier in stand gehouden. Ze hebben haar ook wel geholpen met spullen. Op een dag werd er een grote kist met levensmiddelen door Van Gend & Loos bij ons thuis bezorgd.”

De jongen had ,,een hele prettige jeugd” bij zijn eigen moeder. Hij was naar eigen zeggen een lastige knaap die moeilijk kon meekomen op school. ,,Later bleek dat ik dyslectisch was, maar dat wisten ze toen nog niet.”

Hij haalde met enige moeite zijn middenstandsdiploma en werkte jarenlang op de stoffenafdeling van de Bijenkorf in Amsterdam. Later werd hij mededirecteur van een kledingbedrijf om uiteindelijk voor zichzelf te beginnen, met een jeansbedrijf.

Het contact met heit en mem, die hij zag als zijn tweede ouders, bleef in stand, ook toen hij trouwde en zelf vader werd. ,,Mijn pleegvader ging regelmatig naar Amsterdam voor de landbouwtentoonstelling. Dan zagen we elkaar. Hij is vrij jong overleden. Daarna hield ik contact met mijn pleegmoeder.”

Wikken en wegen

Niet eerder vertelde hij zijn hele verhaal aan een journalist. Dat dit nu wel gebeurt, komt doordat de Amsterdammer door een goede vriend werd geattendeerd op het project De terugkeer van de Joodse Kinderen. Na lang wikken en wegen besluit hij het interview uiteindelijk niet onder zijn echte naam te geven, maar onder de onderduiknaam die hij als baby in Fryslân kreeg. Ook wil hij liever niet op de foto. ,,Vanwege het opkomend antisemitisme. Het is in deze tijd beter om je niet als Jood te profileren. Kijk naar wat er in New York, in Parijs, in Amsterdam gebeurt. Ik kom een enkele keer in de synagoge, en dan staan er enkele wagens van de marechaussee voor de veiligheid. Daar schrik ik dan van.”

Zelf heeft hij op dit vlak geen ernstige ervaringen opgedaan, afgezien van wat antisemitische opmerkingen. ,,Maar als ik mijn eigen naam zou zeggen en er zou iets naars uit voortvloeien, is het te laat en zou ik mezelf dat kwalijk nemen.”

Jan is na de oorlog nooit ‘weggedoken’ voor zijn Joodse achtergrond. ,,Ik ben nooit op Joodse scholen geweest, maar heb wel een Joodse opvoeding gehad.”

Ook gaf hij zijn zoon de Joodse waarden en gebruiken mee. Zo vierden ze zijn bar mitswa, de dertiende verjaardag van een Joodse jongen die dan religieus volwassen wordt.

Tegenwoordig raakt Jan snel geëmotioneerd als het gaat om de Tweede Wereldoorlog. ,,Helaas heeft de wereld niks geleerd. Men gunt elkaar het licht in de ogen niet. Onlangs hoorde ik op de radio over een onderzoek waaruit bleek dat een deel van de jeugd amper weet heeft van de Tweede Wereldoorlog. Daar schrok ik van. Niet dat ik vind dat ze allemaal met de bus naar Auschwitz moeten om het te zien, maar wel dat ze weten wat de gevaren zijn als een bepaalde groep zijn gedachtegang wil overbrengen.”

Hoe hij nu terugkijkt op zijn eerste levensjaren? ,,Ik zie het als een wonder. Ik had mijn pleegouders dolgraag de Yad Vashem-onderscheiding voor de Rechtvaardigen onder de Volken willen geven. Dat is er nooit van gekomen. Dus wil ik nu het verhaal vertellen om heit en mem te eren.”

Hij is ze dankbaar, en omgekeerd heeft ook hij wat voor Jaap en Tine betekend, denkt Jan. ,,Het plezier dat je hebt aan een kind, als het gezond is en alles erop en eraan zit. Of ze van mij hielden? Ongetwijfeld. Anders zouden ze me niet tien jaar na de oorlog nog omarmen en als een halve zoon beschouwd hebben. En dat was wederzijds, ik hield van ze.”

Nieuws

menu