De nalatenschap van Angela Merkel als Bondskanselier van Duitsland, de vrouw van de 'welkomstcultuur' en het 'Wir schaffen das' | Essay

Angela Merkel, al sinds 2005 onafgebroken Bondskanselier van Duitsland, neemt na de Bondsdagverkiezingen in september afscheid van de actieve politiek. Hoe beoordelen wij haar nalatenschap? Op de recente EU-top, 24 en 25 juni in Brussel, ging Merkel genadeloos onderuit met haar voorstel om de dialoog met de Russische president Poetin te heropenen.

Angela Merkel.

Angela Merkel. Foto: EPA

In de Europese media werd dit eenstemmig afgedaan als een ernstig verlies van haar politieke krediet. Maar is dit oordeel niet te eenzijdig politiek, en kijkt dit niet te weinig naar haar maatschappelijke verdiensten? Merkel zal vooral voortleven als de vrouw van de ‘welkomstcultuur’ en ‘wir schaffen das’. Daar kan Nederland nog veel van opsteken.

Zoals bekend verlaat Angela Merkel binnenkort het politieke toneel. Na de verkiezingen van de nieuwe Bondsdag op 26 september keert zij niet terug als Duitse Bondskanselier, een functie die zij heeft uitgeoefend sinds november 2005. Zij heeft aangekondigd geen ander politiek ambt meer te zullen vervullen, niet in Duitsland en niet in Europa. Kortom, het tijdperk Merkel loopt ten einde. Vandaar dat de media de afgelopen maanden terugblikken op dat tijdperk, en aandacht besteden aan Merkels nalatenschap.

Ook de scherpzinnige en invloedrijke politicoloog en columnist Luuk van Middelaar liet er zijn licht op schijnen, op 30 juni in NRC Handelsblad . Directe aanleiding voor Van Middelaar was de EU-top van de Europese staatshoofden en regeringsleiders op 24 en 25 juni. Dit was voor Merkel naar alle waarschijnlijkheid de laatste Europese Raad. Aan de vooravond daarvan had zij, samen met de Franse president Emmanuel Macron maar zonder vooroverleg met de andere EU-collega’s, het initiatief genomen om de dialoog tussen de EU en Rusland nieuw leven in te blazen.

Abrupt afgebroken

Na de Russische bezetting van de Krim en de steun aan de rebellen in Oost-Oekraïne in 2014, was die dialoog door de EU abrupt afgebroken. Merkel en Macron vonden het tijd om het vaste overleg met de Russische president Vladimir Poetin weer te hervatten: ,,We mogen de dialoog met Rusland niet aan de VS overlaten.” (Een week eerder hadden de Amerikaanse president Joe Biden en Poetin in Genève uitgebreid met elkaar gesproken.) Maar helaas voor hen, het Frans-Duitse initiatief eindigde, diep in de nacht van 24 op 25 juni, in een debacle.

Van Middelaar vatte dit debacle als volgt samen: ‘Een Merkel in volle kracht zou aan tafel tegengeluiden van Europese collega’s hebben weerlegd, twijfel hebben weggenomen en denkelijk met een beroep op gedeelde belangen haar zin hebben gekregen — met wat toezeggingen en semantische troost. Ditmaal kreeg zij echter nul op het rekest. Aan het slot van de avond was de lijn tegen Poetin harder dan bij aanvang. Gezagsverlies in beeld.’ De veelzeggende kop boven zijn column: ‘Merkel verloor [haar] krediet onder de politieke dieren in de Europese Raad.’

De toon in een koor van Europese media was niet veel anders. De Belgische krant De Standaard kopte op 25 juni: ‘Merkel bijt in stof met voorstel voor EU-top met Poetin.’ De machtigste vrouw van de wereld werd genadeloos afgeserveerd: ‘Op haar laatste Europese top bleek de tanende invloed van de Duitse kanselier.’ Het is echter de vraag of dit negatieve oordeel over Merkel, en wat zij achterlaat, niet te veel gekleurd is door een politicologische bril. Wie vanuit een sociologisch perspectief kijkt, krijgt een heel ander beeld van Merkel en haar nalatenschap.

Neem het verhaal van de Turks-Duitse wetenschappers Ugur Sahin en Özlem Türeci. Zij zijn de oprichters van het Duitse biomedische bedrijf BioNTech en de ontwikkelaars, samen met het Amerikaanse bedrijf Pfizer, van het eerste succesvolle coronavaccin. Op 19 maart ontvingen zij uit handen van de Duitse Bondspresident Frank-Walter Steinmeier het Bundesverdienstkreuz, de hoogste Duitse onderscheiding. Merkel was prominent aanwezig, en op de foto glimt zij van trots. Vanwaar die trots?

Ugur Sahin (1965) is de zoon van Turkse immigranten, gastarbeiders in een Ford-fabriek in Keulen. Hij droomde als jongetje van een toekomst als dokter en specialiseerde zich als oncologisch onderzoeker. Zijn echtgenote, de arts en immunologe Özlem Türeci (1967), leerde hij kennen op de kankerkliniek waar zij beiden werkten.

Ook háár ouders zijn Turkse immigranten. Vader is chirurg, moeder biologe. Sahin en Türeci verkochten hun eerste bedrijf, Ganymed, dat antilichamen tegen kanker ontwikkelde, in 2016 voor 1,4 miljard euro aan het Japanse Astellas Pharma. Hun nieuwe bedrijf, BioNTech, had eind 2019 een beurswaarde van 4 miljard euro. Een jaar later was dat 18 miljard.

Merkels ‘welkomstbeleid’

Voelde Merkel zich bij die prijsuitreiking zo trots omdat het echtpaar Sahin-Türeci in één klap was toegetreden tot de elite van de honderd rijkste inwoners van Duitsland? Dat is niet heel erg waarschijnlijk. Het ligt veel meer voor de hand dat zij heeft teruggedacht aan 15 augustus 2015, de dag van haar uitspraak: ‘Wir schaffen das’.

Die uitspraak deed zij op het toppunt van de Europese vluchtelingencrisis. Merkel verklaarde hiermee dat haar land, of beter gezegd de Duitse samenleving, de toenemende vluchtelingenstroom naar Europa wel degelijk aankon, ondanks de storm van kritiek die haar ‘welkomstbeleid’ had opgeleverd, zowel in binnen- als buitenland.

Wie denkt dat het jury-oordeel over zestien jaar leiderschap in Duitsland en Europa wordt bepaald door een politieke nederlaag in een Brusselse vergaderzaal, die lijdt aan politicologische bijziendheid. Van veel groter belang lijkt het mij om te kijken naar wat Merkel in die zestien jaar heeft betekend voor de Duitse en Europese samenleving, en voor haar boodschap dat moderne, welvarende landen het zich wel degelijk kunnen veroorloven om op ruime schaal gastvrijheid te bieden aan vluchtelingen uit landen die worden geplaagd door oorlog, armoede, en vervolging.

Wezenlijke bijdragen

Maar Merkel zal zich bij die recente prijsuitreiking wellicht ook nog trots hebben gevoeld over een andere kant van dit verhaal. Niet alleen kan Duitsland zich erop beroemen onder leiding van Merkel de grenzen ruimhartig open te hebben gehouden voor vluchtelingen en migranten, omgekeerd leveren die nieuwkomers ook wezenlijke bijdragen aan de Duitse economie en samenleving. Zoals Bondspresident Steinmeier het op 19 maart tegen Sahin en Türeci zei: ,,Namens ons land wil ik u beiden graag bedanken voor uw uitzonderlijke wetenschappelijke verdiensten, en ik hoop dat uw verdere belangrijke wetenschappelijke plannen zullen leiden tot vergelijkbare baanbrekende successen voor u en voor ons allemaal.”

Deze maatschappelijke betekenis van het Turks-Duitse immigranten-‘droompaar’ heeft ook de aandacht getrokken van serieuze economische onderzoekers. In een recente bijdrage op de site van Social Europe publiceren Oliver Koppel en Enno Kohlisch, beiden werkzaam aan het Duitse Economisch Instituut in Keulen, hun onderzoek naar de relatie tussen migratie en innovatie. De korte samenvatting van de uitkomsten hiervan: ‘Het slechte nieuws voor Duitslands hoogwaardige economie is dat innovatie door autochtone Duitsers afneemt. Het goede nieuws is dat migranten dit meer dan compenseren.’

Creatieve onderzoeksmethode

Voor de liefhebbers wijs ik nog op de creatieve onderzoeksmethode waarvan Koppel en Kohlisch gebruik hebben gemaakt. Hun analyse is gebaseerd op een databestand van alle patenten waarvoor in Duitsland tussen 1994 en 2018 bescherming was aangevraagd, en waarvan ten minste één aanvrager in Duitsland woonde. Daarnaast ontwikkelden ze een databestand met de ongeveer 38.000 verschillende voornamen van alle uitvinders die inwoner zijn van Duitsland en die vanaf 1994 betrokken waren bij een aanvraag voor patentbescherming in Duitsland.

Deze voornamen werden toegewezen aan een of meer van een totaal van 24 taalgebieden, om zo te bepalen in welke gebied van de wereld de wortels van de betrokken persoon het meest waarschijnlijk lagen. Ongeveer 92 procent van de voornamen was te herleiden tot een specifiek taalgebied: Ugur en Özlem, bijvoorbeeld, horen thuis in het Turkse taalgebied, Heinz en Hildegard in het Duitse. Op dit ogenblik is 11,2 procent van alle patenten in Duitsland het werk van uitvinders met een migratieachtergrond. In 1994 was dit nog maar 3,8 procent; sinds dat jaar stijgt dit migrantenaandeel gestaag.

Het cumulatieve aantal patentaanvragen in Duitsland steeg tussen 2008 en 2018 met 2,9 procent. Maar het aandeel van ‘Duitse’ uitvinders nam in die periode af met 1,8 procent, terwijl dat van ‘niet-Duitse’ uitvinders toenam met 84 procent. Voor ‘Indiase’ en ‘Chinese’ uitvinders was dat zelfs 303 procent respectievelijk 139 procent. Met andere woorden, de groei van het aantal patenten in Duitsland de afgelopen tien jaar is bescheiden, maar die groei is exclusief te danken aan de uitvinders met een migratieachtergrond. Zonder hen zou het aantal patenten in Duitsland zelfs zijn gekrompen!

Ook welkom in Nederland

De intelligente en overtuigende analyse die Koppel en Kohlisch presenteren op basis van deze harde cijfers, en hun interessante beleids-aanbevelingen die vooral betrekking hebben op de bijzondere omstandigheden in Duitsland, laat ik hier achterwege. Maar ik maak graag reclame voor de site van het Duitse Economisch Instituut, Working, studying, living in Germany (make-it-in-germany.com), waar academische critici van het Nederlandse welkomstbeleid — van Jan van de Beek tot Piet Emmer tot Joop Hartog — eens goed naar zouden moeten kijken.

Ik heb in het Friesch Dagblad eerder (2 december 2017) een essay geschreven over de opvang van vluchtelingen in Nederland, en over de belangrijke rol van maatschappelijke initiatieven om vluchtelingen te helpen toegang te krijgen tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Dat essay volgde op een opiniestuk dat ik een paar maanden daarvóór (7 augustus 2017), samen met Ruud Lubbers, had geschreven voor NRC Handelsblad, onder de kop ‘Neem 25.000 vluchtelingen per jaar op’. De economische onderzoeker Jan van de Beek reageerde twee dagen later op dat opiniestuk, eveneens in NRC Handelsblad, onder de kop ‘Nee Lubbers, we hebben geen vluchtelingen nodig’.

Als voorbeelden van op dit terrein succesvolle maatschappelijke initiatieven besprak ik in 2017 Transvorm, een samenwerkingsverband van Brabantse zorginstellingen; Refugees Forward en Refugee Company, twee Amsterdamse initiatieven; en De Vrije Wolf, een Utrechts initiatief.

Het afgelopen jaar is toevallig vooral Refugee Company volop in het nieuws geweest, met de fabricage van mondmaskers in een nieuwe fabriek in Arnhem, de Mondmaskerfabriek. Maar let op: die nieuwe fabriek is een sociale onderneming en afgezien van de directie zijn de 35 personen die er werken allen statushouders (asielzoekers wier verzoek is ingewilligd en die een legale verblijfsstatus hebben gekregen).

Jan van de Beek is niet de enige maar inmiddels waarschijnlijk wel de bekendste Nederlandse onderzoeker die volhoudt dat de vluchtelingenstroom ons financieel te gronde richt en dat, los daarvan, vluchtelingen weinig of geen bijdrage van betekenis kunnen leveren aan onze economie. Maar wie bereid is beter te kijken naar wat er gebeurt in de echte samenleving, naar initiatieven als Make It In Germany in Keulen of de Mondmaskerfabriek in Arnhem, die ziet vooral de mogelijkheden van een positieve bijdrage.

Vandaar het belang, ook in Nederland, van een welkomstcultuur die wordt gevoed vanuit dit soort maatschappelijke initiateven. Ik zie Angela Merkel instemmend knikken.