Slavernijverleden: schuld en boete? De gemoederen lopen hoog op

De herdenking van Keti Koti deze maand, de afschaffing van de slavernij, bracht zoals altijd weer veel discussie teweeg. Wat is de rol van Nederland geweest in de internationale slavenhandel en wat zijn de gevolgen ervan vandaag de dag?

 Burgemeester Femke Halsema op 1 juli tijdens de landelijke herdenking in het Oosterpark van het slavernijverleden. Het was 158 jaar geleden dat Nederland bij wet de slavernij heeft afgeschaft in Suriname en het Caraïbisch deel van het Koninkrijk.

Burgemeester Femke Halsema op 1 juli tijdens de landelijke herdenking in het Oosterpark van het slavernijverleden. Het was 158 jaar geleden dat Nederland bij wet de slavernij heeft afgeschaft in Suriname en het Caraïbisch deel van het Koninkrijk. Foto: Koen van Weel

De slavernijdiscussie ter sprake brengen op feestjes is vaak een party pooper van jewelste. De sfeer verandert direct en er ontstaan al heel snel twee partijen. En het bijzondere is dat beide kanten in de discussie de ernst en de onmenselijkheid van slavernij niet ontkennen.

Het probleem zit hem veeleer in de vraag in hoeverre de huidige generatie de schuld op zich moet nemen voor wat een paar voorouders hebben gedaan en of de huidige problemen van nabestaanden van slaven zijn te wijten aan praktijken van meer dan drie eeuwen geleden.

Excuses van Amsterdam

Burgemeester Halsema van Amsterdam heeft begin deze maand excuses aangeboden voor de betrokkenheid van het stadsbestuur bij het slavernijverleden. In een speech tijdens de Herdenking Slavernijverleden (Keti Koti) maakte ze duidelijk dat het bestuur zijn verantwoordelijkheid wil nemen voor de rol van Amsterdam bij de slavenhandel en slavernij en het daardoor veroorzaakte leed.

Tegenstanders van excuses wijzen er principieel op dat latere generaties niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor zaken die nu als een misdaad worden beschouwd maar destijds gemeengoed waren in veel landen. En dat Nederland in de wereldwijde slavenhandel slechts een kleine speler was, die overgeleverd was aan de Afrikaanse leveranciers van slaven. Moeten we ook excuses aanbieden aan de nakomelingen van de slachtoffers van kinderarbeid, kinderen die in de achttiende en begin van de negentiende eeuw in veel slechtere omstandigheden leefden dan slavenkinderen?

Omstreden historicus

Piet Emmer (1944) is een omstreden historicus. Hij is emeritus hoogleraar geschiedenis van Europese expansie en migratie aan de Universiteit Leiden. Hij heeft talrijke boeken en artikelen geschreven over het Nederlandse slavernijverleden. Zijn jongste werk is De geschiedenis van de Nederlandse slavernij in een notendop .

Begin deze maand publiceerde hij een artikel in de Volkskrant over de Nederlandse rol in de slavenhandel dat zeer heftige reacties opriep. Volgens Emmer worden in de slavernijdiscussie te makkelijk historische gegevens verzwegen door mensen die een politiek correcte houding aannemen. In het boek wijdt hij het laatste hoofdstuk aan het huidige slavernijdebat in Nederland en wat hij vindt dat er mis is aan de heersende, aan invloed winnende stroming.

Zo wijst hij op de overdrijving van het aantal slaafgemaakten, het systematisch verzwijgen van de bepalende rol van de Afrikanen (die zelf bepaalden hoeveel slaven ze aan wie verkochten) en de Arabieren bij het maken van slaven en van tv-programma’s en tentoonstellingen (bijvoorbeeld in het Mauritshuis) die vooral politiek correcte standpunten naar voren brengen. Voor iedereen makkelijk na te zoeken gegevens die deze standpunten kunnen nuanceren komen volgens hem niet aan de orde.

Gemakkelijk

Bij delen van Emmers argumentatie zijn inderdaad vraagtekens te zetten. Soms is hij wel heel makkelijk als hij erop wijst dat bijvoorbeeld Engeland en Frankrijk vele malen meer deden aan slavenhandel dan de Nederlanders in de zeventiende, achttiende en het begin van de negentiende eeuw. Maar dat is natuurlijk geen reden om de Nederlandse rol te bagatelliseren en het leed van slaven op Nederlandse plantages in Suriname of de Caraïbische eilanden weg te wuiven, wat hij overigens ook niet expliciet doet.

De resultaten van zijn onderzoekingen naar hoe de slaven werden behandeld leveren wel inzichten op waarvan je nauwelijks hoort. Plantageslaven hadden veel meer vrijheid dan we denken. Zo konden zij op stukjes eigen grond producten telen en die verhandelen op markten waar ze vrij naartoe konden gaan en kregen ze meer loon (weliswaar in natura) van hun eigenaren dan vrije arbeiders in West-Europa of Noord-Amerika.

Ze waren echter niet vrij. Maar als er al slavenprotesten of -opstanden waren, dan hadden die vooral betrekking op de manier waarop ze werden behandeld, niet op het instituut van slavernij op zich.

Schaamteloze verdediging

Critici van Emmer noemden zijn laatste stuk in de Volkskrant een ‘schaamteloze verdediging’ van slavernij en een ‘stom, vanuit witte arrogantie opgesteld opiniestuk’. Maar er zijn ook historici die zich scharen achter wat zij noemen zijn ‘genuanceerde benadering’, bijvoorbeeld universitair docent dr. Niek Pas van de Universiteit van Amsterdam. Hij noemt de claim op het ‘voelen van de naweeën’ van wat verre voorouders is aangedaan, pas arrogant. ‘Want dat is een misplaatste vorm van Amerikaantje spelen en cultiveren van slachtofferschap. Intussen moet en zal dat slavernijverleden ons als de nieuwe zondeval worden opgedrongen.’

Heftige taal en verkettering over en weer dus. Terwijl het moet gaan om, zoals deze krant eerder in een commentaar schreef, ontmoetingen van mens tot mens. Die brengen rechtstreeks teweeg wat wet, museum, excuses of onderzoeken slechts met een omweg bereiken: aandacht en erkenning, van onbewuste vooroordelen en onbekende pijn.

De geschiedenis van de Nederlandse slavernij in een notendop. P.C. Emmer. Prometheus, 8,99 euro