Vrijheid van onderwijs als omstreden grondrecht

Het begrip ‘vrijheid’ is misschien wel het belangrijkste woord in de christelijk-sociale traditie. Onderwijs is altijd een speerpunt geweest, maar de grote vraag is natuurlijk: wat leer je kinderen en in hoeverre is dat in strijd met andere grondrechten?

Burgemeester Femke Halsema en onderwijswethouder Marjolein Moorman (R) tijdens een spoeddebat in de Amsterdamse gemeenteraad over het in opspraak geraakte Cornelius Haga Lyceum.

Burgemeester Femke Halsema en onderwijswethouder Marjolein Moorman (R) tijdens een spoeddebat in de Amsterdamse gemeenteraad over het in opspraak geraakte Cornelius Haga Lyceum. Foto: ANP

Burgers en hun samenwerkingsverbanden moeten hun eigen omgeving vorm kunnen geven. En welke opvatting je hebt en waarover het gaat (energievoorziening, sociale zekerheid of zorg) maakt dan niet zoveel uit. Zo lang je maar genoeg ruimte krijgt om samen met anderen je eigen idealen vorm te geven.

De Tweede Kamer heeft vorige maand uitgebreid gesproken over de vraag om leerlingen beter te beschermen tegen extremistische denkbeelden. Bestaande wetten, over bijvoorbeeld de aanpak van georganiseerde criminaliteit of de vraag hoe je radicale schoolbestuurders aan kunt pakken, en meer bevoegdheden voor de onderwijsministers werden ter discussie gesteld.

Cornelius Haga Lyceum

Aanleiding was de vermeende gang van zaken op het islamitische Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam. Dat raakte begin vorige maand in opspraak. Volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst lopen er mensen op de school rond die de helft van het leerplan aan de salafistische (vrouwonvriendelijk, dicriminatoir tegen andere religies) geloofsleer zouden willen wijden.

Ook zouden mensen in het verleden in contact hebben gestaan met het Kaukasus Emiraat, een terreurbeweging die onder meer achter de aanslag op de Moskouse metro in 2010 zat.

De grote vraag in Nederland blijft: wie bepaalt wat prevaleert?

Op basis van de inlichtingen waarschuwde de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid het stadsbestuur. Dat besloot de informatie openbaar te maken. Maar enig substantieel bewijs werd niet naar voren gebracht. Het bestuur van de school vroeg zich dan ook af waarom niemand was opgepakt als leerlingen dan zo in een radicale hoek werden gedreven en als er wetten waren overtreden. En bestaat er niet in Nederland het grondwettelijke recht op vrijheid van onderwijs, waarbij de ouders een grote rol hebben bij wat kinderen wordt geleerd?

Commentaar: De vrijheid van onderwijs is geen vrijbrief voor scholen om van alles te doen, net zo min als dat een exces een reden is om meteen een heel grondwetsartikel op de helling te zetten https://t.co/pWWkaAds5F

— Friesch Dagblad (@frieschdagblad) April 24, 2019

En hierin hadden ze groot gelijk. Ondanks de hoge toon in de Kamer – waarbij vragen werden gesteld bij de vrijheid van onderwijs en de onmacht van de minister om in te grijpen – werd er door de bevoegde overheden niet een schijn van bewijs geleverd voor de beschuldigingen.

Vermeend radicaal islamitisch gedachtegoed mag van de libertijnse goegemeente blijkbaar in Nederland niet worden verkondigd in het klaslokaal, terwijl er niet of nauwelijks wordt geageerd tegen het reformatorisch onderwijs, waarin ook zaken aan de orde komen, zoals de rol van de vrouw, die minstens zo in strijd zijn met onderdelen van de grondwet.

Welke grondrechten prevaleren?

Het is het grote probleem van Nederland: er bestaat niet zoals in de meeste ontwikkelde democratische landen een hooggerechtshof waarbij verschillende grondrechten tegen elkaar worden afgewogen. Dat blijft een bron van tegenstelling, vooral in ’s lands vergaderzaal. En het antidiscriminatieverbod (dat Pim Fortuyn wilde afschaffen) heeft veel jongere en minder doorgedachte papieren dan de vrijheid van onderwijs. Maar de grote vraag in Nederland blijft: wie bepaalt wat prevaleert?

Binnen de christelijk-sociale traditie is het begrip ‘vrijheid’ misschien wel het meest wezenlijke woord. En dan gaat het niet om de ‘vrijheid’ van de revolutie, zoals het belangrijkste onderdeel van de Franse Revolutie, die zich wilde ontdoen van de macht van koning, adel en geestelijkheid: ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Die vrijheid ging gepaard met de terreur van afgehakte hoofden van mensen die het niet eens waren met de staatsideologie van wat goed en fout was. In de christelijk-sociale traditie is vrijheid altijd gebonden aan verantwoordelijkheid, en daarbij kunnen best koning en geestelijkheid een rol spelen. Het is maar net wat de burger zelf wil en kan. De staat met zijn vaak gedwongen politiek-correcte opvattingen moet hier (behalve voorwaarden scheppen voor vrijheid) ver weg van blijven, zo luidt de theorie.

Binnen de christelijk-sociale traditie is het begrip ‘vrijheid’ misschien wel het meest wezenlijke woord

Daarmee strijdt het idee met de ‘vrijheid’ van libertaire en liberale denkers, die al gauw de staat aanwijzen als hoeder van de vrijheid. Dat kwam tijdens de discussie over de Amsterdamse school in zowel het gemeentebestuur als in de Tweede Kamer duidelijk naar voren. Maar als de overheid moet ingrijpen in de grondwettelijke vrijheid van onderwijs is de kans op staatswillekeur heel groot, want wie bepaalt wat betamelijk of goed is of het beste voor de maatschappij? Wie is de staat eigenlijk en waar staat zij voor?

De christelijk-sociale traditie ziet het anders. Vrijheid is dat de staat zich niet met opvattingen van vrije mensen bemoeit, maar dat de overheid mensen in staat stelt zelf in onafhankelijkheid hun denkbeelden in praktijk te brengen. En ja, soms krijg je dan een hoog oplopend conflict tussen verschillende grondrechten. Dat is ten diepste waarom vrijdenkers het Haga Lyceum niet kunnen verdragen en mensen die affiniteit hebben met de christelijk-sociale traditie wél.

Uitruil met algemeen kiesrecht

Onlangs is onder redactie van George Harinck, Alexander van Kessel en Hans Krabbendam een verhelderende bundel verschenen over de vrijheid van onderwijs. Het boek Een christelijk-liberale synthese beschrijft in verschillende artikelen hoe de zogenoemde pacificatie van 1917-1921 in Nederland tot stand kwam. De uitruil tussen socialisten en linkse liberalen aan de ene en de confessionele partijen aan de andere kant hield in dat er door de staat betaald christelijk onderwijs mogelijk werd gemaakt en dat er – voor wat hoort immers wat – algemeen kiesrecht (eerst voor mannen, vanaf 1919 ook voor vrouwen) mogelijk werd gemaakt.

Het algemeen kiesrecht was de grote wens van de socialisten van Pieter Jelles Troelstra (1860-1930). Op de achtergrond speelde bij hem ook de gedachte dat als de schoolstrijd eenmaal was geregeld de politiek in Den Haag zich weer volledig kon richten op de klassenstrijd. Hij hoopte dan christelijke arbeiders in het socialistische kamp te kunnen trekken. Hier kwam overigens weinig of niets van terecht. De christelijke partijen (ARP en de rooms-katholieke RKSP en in mindere mate CHU) waren veel te goed georganiseerd om de christelijke arbeiders te laten gaan.

Een door de staat bekostigd bijzonder onderwijs is lange tijd in de negentiende eeuw vrijwel het enige speerpunt geweest van de ARP van de grote gereformeerde voorman Abraham Kuyper (1837-1920). Hij maakte de invoering van de bekostiging door de staat nog mee. Kuyper voelde de invoering van het algemeen kiesrecht trouwens niet als een onverdeeld succes. Zijn partij was (en bleef nog vele jaren) voorstander om alleen gezinshoofden kiesrecht te geven.

Artikel 23

Vrijheid van onderwijs is er gedurende een groot deel van de negentiende eeuw geweest in Nederland. De grote vraag was natuurlijk of de overheid ook christelijk (‘bijzonder’ moet je zeggen, want bekostiging gaat niet alleen over religie, maar ook over onderwijsmethoden, zoals montessori-, dalton-onderwijs of vrije scholen) kon of wilde betalen.

Het principe dat de overheid bijzonder onderwijs op een gelijke manier als openbaar onderwijs moet financieren is vastgelegd in artikel 23 van de grondwet. De wordingsgeschiedenis hiervan begon al in 1806. Daar werd de basis gelegd voor de omschrijving aan wie het grondrecht van vrijheid van onderwijs bescherming biedt. Na de grondwetswijziging van Thorbecke in 1848 werd vrijheid van onderwijs als recht genoemd. Maar weer was er geen financiering bij voor bijzondere scholen. Kern was de vraag van wie de school was: van de overheid (gemeente) of van de ouders die zelf in vrijheid kunnen bepalen wat er wordt onderwezen (natuurlijk in overeenstemming met wat de wet vraagt). En artikel 23 van de grondwet gaat ver. Bijvoorbeeld over welke leerlingen wel of niet kunnen worden toegelaten op bijzondere scholen en welke leraren wel of niet kunnen worden aangenomen. Ook de keuze van de leermiddelen en de inhoud van de leerstof is de verantwoordelijkheid van het bijzonder onderwijs zelf.

Bijzondere scholen kunnen in Nederland alleen van overheidswege worden gesloten als er te weinig leerlingen zijn, de rijkssubsidie verkeerd is besteed of wanneer de kwaliteit van het onderwijs onvoldoende is.

Het geval van de controverse rond het Cornelius Haga Lyceum liet heel duidelijk zien dat de bewegingsruimte van de rijksoverheid beperkt is als het gaat om de vrijheid van onderwijs. Tweede Kamerleden riepen het kabinet op het Cornelius Haga per direct te sluiten. Een mooie wens, maar natuurlijk volstrekt onhaalbaar. Bijzondere scholen kunnen in Nederland alleen van overheidswege worden gesloten als er te weinig leerlingen zijn, de rijkssubsidie verkeerd is besteed of wanneer de kwaliteit van het onderwijs onvoldoende is. Bij Cornelius Haga was geen van deze zaken aan de orde, zo bleek uit het inspectierapport.

Commentaar: Deze week werden in de Tweede Kamer grote zorgen geuit over naschoolse lessen aan jonge moslims, maar de AIVD doet schimmig over de omvang van het probleem en er zijn geen concrete voorbeelden. https://t.co/JOYVsBi9Ll

— Friesch Dagblad (@frieschdagblad) April 4, 2019

De discussie over onderwijsvrijheid naar aanleiding van Cornelius Haga staat overigens niet op zichzelf. In 2003 laaide de discussie op, naar aanleiding van debatten over integratie en inburgering van minderheden, vooral van immigrantenkinderen uit niet-westerse landen. Door hun vorm van bijzonder onderwijs zouden zij onvoldoende in aanraking komen met Nederlandstalige leeftijdsgenoten met een Nederlandse cultuur. Voorstanders van het bijzonder onderwijs stelden dat het principe van vrijheid van onderwijs niet buiten kracht kan worden gesteld voor één bepaalde vorm van bijzonder onderwijs.

‘Geworteld’ is een korte serie die de historische achtergrond belicht van actuele vraagstukken. Het gaat over zaken waarover in de schristelijk-sociale traditie uitgebreid is nagedacht. Vandaag aflevering 2: de vrijheid van onderwijs

Nieuws

menu