100 jaar Heerenveen: Het is bij Ajax en hun directeur Edwin van der Sar eerst zien, en dan geloven

Je kunt er zo weinig tegen doen, maar pijn doet het zo stilletjes aan wel.

25 mei 1945. Jeugdspelers van Amsterdamse voetbalclubs Ajax, DWS, Blauw-Wit en De Volewijckers defileren tijdens de bevrijdingstoptocht in Heerenveen op De Dracht. Foto: Museum Heerenveen

25 mei 1945. Jeugdspelers van Amsterdamse voetbalclubs Ajax, DWS, Blauw-Wit en De Volewijckers defileren tijdens de bevrijdingstoptocht in Heerenveen op De Dracht. Foto: Museum Heerenveen

Eerst pakken ze het grootste talent van je af, dan zetten ze je te kijk in het bekertoernooi, vervolgens brengen ze naar het schijnt het hoofd van je technisch directeur op hol en last but not least verlies je van Lucky Ajax.

Je zou, als een soort van genoegdoening, hopen dat AS Roma er morgenavond in Amsterdam een stuk of vier maakt. Of meer.

En nu hoor ik u al denken: ‘slechte verliezer’. Prima. Ik zal vast niet de enige zijn. Maar ik erger me al een tijdje langer aan Ajax. Of beter: aan directeur Edwin van der Sar. En dat zit zo.

Op 5 maart 2020 verschijnt er in Het Parool , de huiskrant van Amsterdam, een soort van reconstructie over hoe Heerenveense pleeggezinnen 75 jaar eerder tijdens de Hongerwinter 86 Amsterdamse aspiranten (12-14 jaar) van Ajax, DWS, De Volewijckers en Blauw-Wit onderdak bieden. De longread van Jaap Visser maakt diepe indruk in het Amsterdamse. Het stof waaronder de geschiedenis van de hongerevacués bedolven is geraakt is in één klap weggeblazen.

Een van de pleeggezinnen is dat van sterspeler Abe Lenstra en zijn vrouw Hil. In Oranjewoud ontfermen ze zich liefdevol over de broertjes Jan en Arie de Wit. Tweede dochter Janneke Lenstra (1952) zal pas vele jaren later geboren worden, maar als in 1957 in Enschede plotseling Jan de Wit voor de deur staat is haar interesse voor altijd gewekt.

Ik ben geweldig trots op mijn vader om wat hij heeft gepresteerd op het voetbalveld, maar ook om zijn rol als pleegvader in de oorlog

In Het Parool zegt ze daarover het volgende: „Ik ben geweldig trots op mijn vader om wat hij heeft gepresteerd op het voetbalveld, maar ook om zijn rol als pleegvader in de oorlog.” Tegelijkertijd doet ze een oproep aan Heerenveen om de humanitaire oorlogsoperatie levend te houden voor de kinderen van nu. „Er zou een blijvende herinnering moeten komen, een monument of zo, zodat we in deze tijd van verharding en individualisering tegen kinderen kunnen zeggen: ‘Kijk, zo kan het ook’.”

Dit is het moment dat Ajax in beeld komt. Dat blijvend aandenken, zo vinden Van der Sar en zijn medebestuurders, dat moet er komen. En niet Heerenveen, maar de vier Amsterdamse clubs moeten er - uit dankbaarheid - voor gaan zorgen. Omdat de drie overige clubs de facto in 1972 hun identiteit kwijt zijn geraakt met een fusie tot FC Amsterdam gaat Ajax het voortouw nemen. Dat komt mooi uit, want Ajax is niet alleen recordkampioen maar bovendien steenrijk.

We zijn inmiddels een jaar verder en Ajax is ondertussen (bewezen) twee keer te gast geweest in Heerenveen, ze hebben het grootste talent overgehaald naar Amsterdam te komen en naar verluidt hebben ze het hoofd van de technisch directeur Gerry Hamstra zodanig op hol gebracht dat die in zeven haasten het Abe Lenstrastadion achter zich liet. Maar een monument ter nagedachtenis aan een daad van grote naastenliefde? Nee, natuurlijk niet.

Navraag leert dat het plan op de lange baan is geschoven. Corona. U weet wel. Maar de belofte blijft staan. Echt waar. Dat blijvend aandenken, dat gaat er komen.

Het zal wel. Eerst zien, dan geloven.

Op 20 juli 2020 vierde vv Heerenveen het 100-jarig bestaan. In het jubileumseizoen schrijft Edward Jorna elke week over de club.