De evolutie van de Oranjesupporter: van gedistingeerde mannen in pak en spontaniteit naar een overdaad aan oranje en commerciële gekte

Nu het Europees kampioenschap is gestart worden we op radio en tv weer overstelpt door Oranje-getinte reclames. Iedereen snakt naar een mooie voetbalzomer en een aangewakkerde voetbalkoorts is dé kans bij uitstek om er bij de Oranjefans een commercieel slaatje uit te slaan. Een reis door de tijd.

Graatje Hindriks had tijdens het WK voetbal in 1994 met zijn originele outfit een primeur, maar hij vergooide een behoorlijke portie geloofwaardigheid op het moment dat hij zich door het bedrijfsleven liet betalen en op zijn trommel niet alleen ‘Holland’ maar ook diverse merknamen aanbracht.

Graatje Hindriks had tijdens het WK voetbal in 1994 met zijn originele outfit een primeur, maar hij vergooide een behoorlijke portie geloofwaardigheid op het moment dat hij zich door het bedrijfsleven liet betalen en op zijn trommel niet alleen ‘Holland’ maar ook diverse merknamen aanbracht. Foto: ANP

De vergeelde foto’s uit het begin van de vorige eeuw van volgepakte tribunes gedomineerd door bolhoeden en andere klassieke hoofddeksels doen in eerste instantie Engels aan. Maar net als in de bakermat van het voetbal gingen toeschouwers zo’n honderd jaar geleden ook in Nederland op hun paasbest naar het stadion. Het was niet iedereen gegeven de prijs van een toegangsbewijs op te hoesten en afgaand op hun kleding kwamen de toeschouwers destijds vooral uit de bovenlaag van de samenleving.

Vergelijk de gedistingeerde mannen in hun twee- of driedelige pak op de tribunes bij een interland tussen de twee wereldoorlogen met de gemiddelde Oranjefan uit de 21e eeuw. De tinten grijs die wegvallen tegen het grauwe beton van het stadion hebben plaatsgemaakt voor een overdaad aan oranje: petjes, pruiken, indianentooien en andere ludieke en uitbundige creaties in de kleur van de nationale trots.

‘We gaan naar Rome toe’

Tijdens de interlands in de eerste helft van de twintigste eeuw waren Oranjepetten en fanshirts nog sciencefiction . Als het Nederlands elftal zich in 1934 plaatst voor het wereldkampioenschap voetbal in Italië, lijkt voor het eerst sprake van een Oranjekoorts. Zó groot is het vertrouwen in mannen als Bep Bakhuys, Leen Vente, Kees Mijnders en Kick Smit, dat er een heus 45-toeren plaatje wordt opgenomen. ‘We gaan naar Rome toe’, zingt Willy Derby.

Het optimisme, de kneuterigheid, maar ook het oprechte enthousiasme spatten van het vinyl af: ‘We brengen als het even kan de hoogste titel mee’. En ‘Als Holland dat niet wint, eet ik geen macaroni meer’. Het mag allemaal niet baten, want het Nederlands elftal wordt al in de eerste ronde uitgeschakeld door Zwitserland (3-2) en in plaats van een voortzetting van de reis naar de Italiaanse hoofdstad moet meteen rechtsomkeert worden gemaakt. De Oranje-euforie dooft net zo snel als deze was opgelaaid.

De eerste golf van Oranjegekte

Toch is het WK van 1934 niet de allereerste oprisping van Oranjegekte, want die ontstaat als Nederland in 1928 de Olympische Spelen in eigen land mag organiseren. En bij gebrek aan een wereldkampioenschap voetbal - dat pas twee jaar later voor het eerst wordt gespeeld - wordt de regerend Olympisch kampioen Uruguay algemeen gezien als het beste nationale voetbalteam ter wereld. Met namen als José Nasazzi (aanvoerder), José Andrade (bijgenaamd ‘de zwarte parel’) en Hector Scarone (‘de magiër’) zijn de Uruguayanen niets minder dan een bezienswaardigheid.

De loting voor de eerste ronde van het voetbaltoernooi, die wordt verricht door Prins Hendrik, blijkt allerminst voorgekookt want gastheer Nederland moet meteen aan de bak tegen de Zuid-Amerikaanse favorieten. De kansen op een voetbalmedaille zijn daarmee bij voorbaat al danig geslonken. Anderzijds veroorzaakt het vooruitzicht op Nederland - Uruguay een ongekende run op kaartjes.

En dat blijkt tijdens de tumultueus verlopen verkoop. Op twee plekken in Amsterdam worden op Pinkstermaandag 28 mei vanaf 10.00 uur kaarten verkocht: aan de Vijzelstraat en aan de Nieuwe Spiegelstraat. Zestien uur voordat de loketten opengaan, staan er al honderden mensen te wachten en enkele uren later zijn dat er duizenden. In de nacht regent het opstootjes en moet de politie ingrijpen om de vechtende onverlaten te scheiden. De chaos is vlak voor aanvang van de verkoop zó groot dat wordt besloten de deuren een half uur eerder te openen.

Op foto’s van die ochtend zijn mannen in lange, chique jassen te zien die zich verdringen voor een kaartje. Geen spoor nog van de uitbundige oranje verkleedpartijen die vandaag de dag gemeengoed zijn. En zo kan het gebeuren dat om 10 uur die ochtend het Olympisch Stadion al volledig is uitverkocht, tot woede en frustratie van degenen die achter het net vissen. Maar wie een kaartje heeft bemachtigd, kan zich evenwel opmaken voor de tot dat moment belangrijkste wedstrijd in de Oranjehistorie.

Het wordt een ontnuchterende ervaring. Het verfijnde Uruguay toont zich uitgekookter dan de Nederlandse jongens van de gestampte pot en wint relatief gemakkelijk met 0-2 om niet veel later de Olympische titel te prolongeren. Na afloop loopt een zwijgende massa teleurgesteld richting de uitgang. De koorts was hevig maar van korte duur.

Misgelopen EK’s

Op het WK van 1938 na, waarin het Nederlands Elftal net als vier jaar eerder in de eerste ronde wordt uitgeschakeld (ditmaal na verlenging met 0-3 door Tsjecho-Slowakije), is het lange tijd geen feest om Oranjesupporter te zijn. Het Nederlands elftal loopt decennialang achter de feiten aan en wordt voor alle daaropvolgende toernooien in de kwalificatieronde al uitgeschakeld.

Pas in 1974 mag Oranje zich eindelijk weer eens meten op een eindtoernooi. Het gastland is West-Duitsland en dat brengt volksstammen Nederlandse supporters ertoe de grens over te steken om een wedstrijd bij te wonen.

Veertig jaar na Willy Derby’s hitje over de finale in Rome wordt het einddoel geografisch verlegd en is het credo: ‘We gaan naar München toe!’ De spelers van Oranje weten voor hun eerste duel tegen Uruguay niet wat ze zien: hele delen van het stadion zijn oranje gekleurd waardoor het lijkt alsof de mannen van Rinus Michels een thuiswedstrijd spelen.

De commercie rond Oranje staat dan nog in de kinderschoenen. De koorts is weer hevig maar het bedrijfsleven heeft de commerciële buitenkans maar matig in het vizier. Sommige supporters dragen replica-shirts, maar dat betreft vooral de exemplaren die in de kwalificatiereeks door het Nederlands elftal werden gedragen. De splinternieuwe Adidas-outfit is nog niet op de markt, of beter gezegd: die markt bestaat nog helemaal niet.

Vooral rood-wit-blauwe vlaggen zwaaien op de tribunes en aan de hekken hangen zelfgemaakte spandoeken. Het oranje op de tribunes komt vooral doordat de fans alles wat ze in die kleur toch al in de kleerkast hebben liggen, aantrekken. De grijze bolhoeden uit 1934 hebben plaatsgemaakt voor oranje petten en zijn vooral het resultaat van huisvlijt.

Gesteund door het almaar groeiende Oranjelegioen knokt een van de beste Nederlands elftallen aller tijden zich naar de finale. ‘We’ halen inderdaad München, maar voor de eindstrijd in het Olympiastadion hebben maar een paar duizend Nederlandse fans een kaartje kunnen bemachtigen.

1988

En dat is te merken. Het ‘Hup Holland hup’ wordt volledig overschreeuwd door strijdkreten van het Duitse thuispubliek en en de plukjes oranje op de tribunes zijn nagenoeg onzichtbaar. De uitkomst is bekend: voor het eerst in het toernooi kunnen Cruijff en consorten hun draai niet vinden en worden de geweldige prestaties in de andere wedstrijden van het toernooi niet bekroond met de wereldtitel.

Pas veertien jaar later sluit het legioen weer de gelederen. Het EK van 1988 wordt ook ditmaal gespeeld in West-Duitsland en opnieuw trekken de Oranjefans massaal de grens over. De tribunes zijn oranjer dan ooit tevoren.

Wanneer in de halve finale in Hamburg tegen het gastland op het uitvak wordt ingezoomd blijkt dat de sjaals met ‘Holland’ erop hun intrede hebben gemaakt. Verder zijn er weer veel zelfgemaakte vlaggen en petten en valt de enorme diversiteit en creativiteit op waarmee aan de passie voor het nationale team uiting wordt gegeven. De een schminkt zijn gezicht in de kleur van de nationale trots, een ander heeft rood-wit-blauwe vlaggetjes op de wangen.

De geprezen Gullit

Beschouwd met de ogen van nu doet het allemaal wat naïef aan. Maar het is oprechte, huisgemaakte passie. Uit Italië is een opvallend attribuut overgewaaid. Bij AC Milan heeft aanvoerder Ruud Gullit in zijn eerste jaar zóveel indruk gemaakt, dat hij in de Serie A Diego Maradona van de troon heeft gestoten. Geïnspireerd door zijn imposante fysieke verschijning en opvallende rastakapsel worden in Milaan petjes gefabriceerd met lange vlechten van zwarte wol: de Gullit-pruik. Voor de gelegenheid zijn de rood-zwarte clubkleuren van Milan nu fel Oranje.

Maar verder is het enthousiasme nog steeds vergelijkbaar met dat van 1974: er is nog geen sprake van massaliteit, en evenmin van de door slimme marketeers bedachte uitingsvormen die in de jaren negentig zullen exploderen. In 1988 zijn er maar weinig mensen die zich in het oerlelijke maar later mythisch geworden Oranjeshirt van hun helden hullen.

Get legioen is een vrolijk, samengeraapt zooitje ongeregeld dat maar één doel voor ogen heeft: het Nederlands elftal steunen. Spontaniteit is het toverwoord. Het exhibitionisme, het ‘kijk mij eens gek doen’ en de totale vercommercialisering van de Oranjekoorts is dan nog toekomstmuziek, maar het EK van 1988 zal een keerpunt blijken.

Nooit meer hetzelfde

In de jaren negentig komt de drang tot individueel profileren steeds sterker naar boven. Op het WK van 1994 in de Verenigde Staten is een Oranje-indiaan het boegbeeld van die ontwikkeling. Op de tribunes van de Amerikaanse stadions maakt Graatje, zoals de ‘indiaan’ zich door zijn vrienden laat noemen, voor het oog van de wereld zijn debuut. Met een enorme trom op zijn even grote buik is Graatje niet alleen visueel maar ook qua geluid niet te missen.

Fotografen zijn dol op hem, bij wedstrijden van het Nederlands elftal wordt hij al snel door de regiekamers van de televisiestations gezocht. De ‘Oranje-indiaan’ lijkt zelf ook enorm van de aandacht te genieten. En wie doet hij er kwaad mee? Zijn zelfbedachte uitdossing is een lust voor het oog, al vraagt menigeen zich af wat nu prevaleert: het enthousiasme voor de nationale ploeg of de aandacht die ermee wordt gegenereerd?

Die vraag blijft onbeantwoord totdat een sponsor zich bij Graatje meldt. Voor het geboden geld gaat Neerlands meest in het oog springende supporter door de knieën. En daarmee verliest het Nederlandse legioen in zekere zin zijn onschuld. Illustratief voor deze ontwikkeling is het feit dat Graatje Hindriks in zijn achtertuin een aan hemzelf gewijd museum heeft geopend en in 2014 bovendien een biografie heeft gepubliceerd. ‘Hup Graatje, hup’ is blijkbaar gaandeweg zijn credo geworden.

En ander boegbeeld van het Nederlandse supporterslegioen was Winfried Witjes, beter bekend als de ‘Oranje Generaal’. Deze legeraanvoerder, die in 2016 overleed, toonde zich een creatief man door niet alleen de bijnaam van Rinus Michels tot een outfit te maken, hij fabriceerde bovendien een replica van de wereldbeker die hij in de stadions graag triomfantelijk omhooghield.

Maar ook Witjes kon de roep van de commercie niet weerstaan en liet zich op een bepaald moment sponsoren. Meereizen met het Nederlands elftal is een dure grap en de inkomsten zullen ongetwijfeld nodig zijn geweest om zijn uit de hand gelopen hobby te financieren.

Bij ieder nieuw toernooi neemt het aantal voorgekauwde, massaal geproduceerde oranje-uitingen toe, terwijl de huisvlijt afneemt. Al maanden voor de start van een eindtoernooi doen bedrijven en de middenstand hun uiterste best om de Oranjesfeer zo vroeg mogelijk aan te wakkeren. Bij aankoop van ‘wedstrijdklassiekers’ als bier en chips worden allerlei oranje objecten gratis aangeboden.

De scheidslijn tussen grappige parafernalia en wanstaltige prullaria is dun. Soms zit er een kledingstuk tussen dat lijkt op iets dat ook thuis had kunnen worden gemaakt, zoals de veelvuldig gedragen Oranjejurkjes die tijdens het WK 2010 in Zuid-Afrika bekend werden. Bavaria had deze jurkjes op de markt gebracht en dat was tegen het zere been van de FIFA.

Want hoewel geen reclame-uiting op het kledingstuk zichtbaar was, moest de FIFA eerst en vooral de belangen van de eigen sponsor behartigen en dat leidde zelfs tot het verwijderen van in het oranje gehulde dames uit het stadion. Hier en daar werden tegenstribbelende jurkdragers zelfs gearresteerd.

Het is een sprekend voorbeeld van hoe de bedachte commercie de spontaniteit die op het EK van 1988 nog hoogtij vierde inmiddels volledig naar de achtergrond heeft gedrukt. De kleur oranje is niet te patenteren, de ontelbare reclame-uitingen zijn dat wel. Wie had in 1988 kunnen denken dat wat ooit een oprecht en onschuldig Oranjegevoel was zou ontaarden in een keiharde business waarin alleen geldelijk gewin belangrijk lijkt te zijn?

De vergelijking dringt zich op

Anno 2021 is Oranje na zeven jaar eindelijk weer eens aanwezig op een eindtoernooi. De vergelijking met het EK van 1988 dringt zich op. Ook toen was het Nederlands elftal er na een jarenlange droogte weer een keer bij en snakte iedereen naar een mooie voetbalzomer. Maar anders dan toen draait de commerciële kermis nu al weken op volle toeren.

En dat terwijl de mannen van Frank de Boer niet eens tot de favorieten behoren en de stadions maar gedeeltelijk mogen worden bevolkt. In supermarkten en op televisie wordt vrolijk voorbijgegaan aan het feit dat échte euforie alleen maar ontstaat aan de hand van resultaten op het veld. En naarmate de finale stap voor stap, wedstrijd voor wedstrijd dichterbij komt.

Natuurlijk is het prachtig als tribunes weer oranje kleuren maar het zou nog veel mooier zijn als de creativiteit van Oranjesupporter weer de overhand zou krijgen, dat de op marketingafdelingen bedachte oranje eenheidsworst plaatsmaakt voor originele uitingen van voetbalpassie, producten van huisvlijt die weliswaar de aandacht op de individuele supporter kan vestigen, maar vooral voor de omgeving en voor de kijker thuis aangenaam zijn.

Graatje Hindriks had in 1994 met zijn originele outfit een primeur, maar hij vergooide een behoorlijke portie geloofwaardigheid op het moment dat hij zich door het bedrijfsleven liet betalen en op zijn trommel niet alleen ‘Holland’ maar ook diverse merknamen afdrukt. Een Nederlandse voetbalfan getooid als indiaan die geld krijgt om een bedrijfsnaam aan de man te brengen, het is bijna vloeken in de kerk. Want het blijft wennen wanneer een supporter niet op de tribune zit om zijn of haar team te steunen, maar vooral om zoveel mogelijk in beeld te komen om de ontvangen gage terug te betalen aan de betreffende sponsors.

Daarom is voor dit EK de hoop gevestigd op die nog niet bekende Oranjefan die de komende tijd furore gaat maken, geen pruik van wortels op het hoofd draagt of oranje borsten van plastic voorgebonden heeft, maar zich met klasse en originaliteit presenteert. Die iets draagt dat zelf bedacht is en het liefst ook zelf gemaakt. En vooral: niet wordt gesponsord. En dus is het wachten op die man of vrouw die zijn of haar liefde voor Oranje toont op een wijze die indruk maakt.

Zonder ‘plat’ te zijn, zonder dat er pecunia tegenover staan. Zodat we na het toernooi kunnen zeggen: dat daar nog niet eerder iemand op was gekomen! Daarbij is de hoop dat die persoon geen selfies staat te maken terwijl de wedstrijd in volle gang is, maar geniet van waar het allemaal om is begonnen: voetbal kijken met een heerlijk gevoel van chauvinisme en Oranjetrots. We gaan het zien.