Staand op de pedalen, zweetdruppels op het frame en daarna een welverdiend blikje cola op de top van de Stelvio | Column

De eerste Tourweek zit erop. En wat voor een. Met de ritzege en het geel van Mathieu van der Poel tot de tranen van Mark Cavendish, plus twee Nederlanders in de bolletjestrui. En alsof dat nog niet genoeg was, nam Tadej Pogacar in de eerste bergrit ook nog eens een voorschot op zijn tweede eindzege.

Sportjournalist Lars Goerres tijdens de beklimming van de Passo dello Stelvio.

Sportjournalist Lars Goerres tijdens de beklimming van de Passo dello Stelvio. Foto: Femke Wierda

Het is eigenlijk te veel om op te noemen, dat wat er tijdens de eerste negen etappes gebeurde. Maar waar u – mits wielerfan – de beelden uit Frankrijk waarschijnlijk gretig in u op hebt geslurpt, ben ik met mijn gedachten aanvankelijk bij een andere grote ronde: de Giro d’Italia.

Terwijl Cavendish in Fougères zijn 32e ritzege pakt, baan ik me duizend kilometer verderop een weg naar boven op de Passo dello Stelvio. Met zijn hoogte van 2.758 meter en gemiddeld stijgingspercentage van 7,6 procent over krap 24 kilometer behoort deze Italiaanse Alpenreus volgens kenners tot de zwaarste fietscols van Europa en inmiddels kan ik niet anders dan die conclusie bevestigen. Geen wonder dat hier al zoveel Giro-dromen sneuvelden.

Voor het ‘echie’

Een paar jaar geleden beklom ik de Stelvio van de ‘gemakkelijke’ zijde. Nu wil ik voor het ‘echie’ gaan. Omdat mijn vriendin en ik met de camper op de top hebben overnacht, volgt eerst een afdaling over de nabijgelegen Umbrailpass, waarna de weg vanuit Prato via 48 (!) haarspeldbochten weer omhoog slingert.

De eerste kilometers leg ik gemakkelijk af, genietend van de omgeving. Blijkbaar ben ik toch alweer aardig gewend aan het fietsen in de bergen. Toen ik op de derde vakantiedag de Passo di Croce Dominii beklom, was dat wel anders. Maar nu, na mooie ritten door Lombardije en over de gevreesde Mortirolo (supersteil), heb ik de smaak te pakken. Tot de laatste zeven kilometer aanbreekt.

Daarin heeft de wind vrij spel, doet de hoogte zich voelen en komt het stijgingspercentage nauwelijks meer onder de 9 procent. Een zweetdruppel spat stuk op de bovenbuis van mijn fiets, die behoorlijke klappen te verduren krijgt wanneer ik weer eens uit het zadel kom om het tempo te verhogen.

Koud blikje cola

Uiteindelijk bereik ik na twee uur klimmen de top. Daar is het een drukte van belang. Wielrenners, motorrijders en ‘gewone’ bezoekers verdringen elkaar bij de souvenirwinkeltjes en maken foto’s van het uitzicht op het Ortler-massief.

Ik heb alleen oog voor het koude blikje cola dat mijn vriendin me heeft gegeven. Even voel ik me een prof die uitpuft na de finish. Zeker als bij bestudering van de rit op Strava blijkt dat maar 13 procent van de gebruikers van het populaire trainingsplatform sneller omhoog is gereden.

Ben ik dan een goede klimmer? Voor mijn lengte en gewicht – 1 meter 89, 77,5 kilo – misschien wel. Maar als ik na een paar minuten van trots zie dat DSM-kopman Jai Hindley vorig jaar tijdens de Giro liefst 53 minuten sneller was, weet ik weer wat mij van een profwielrenner scheidt: een gapend gat.

Reageren? Mail dan naar sport@frieschdagblad.nl